Sinds 1974 bestaan er in Nederland plannen om kernafval ondergronds op te slaan. Nadat de regering in 1976 aankondigde proefboringen uit te willen voeren in zoutkoepels was het beleid gericht op het zoeken naar geschikte locaties en het doen uitvoeren van proefboringen. Deze plannen stuitten op veel verzet en legden conflicten tussen technici en de bevolking bloot. Er zijn geen pogingen ondernomen om de conflicten te slechten.
Het overheidsbeleid veranderde in 1993: de centrale thema's werden nu terughaalbaarheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid van de opslag. Die thema's werden echter niet verder uitgewerkt. De overheid nam geen stappen om aan de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de opslag inhoud te geven. Het onderwerp verdween de afgelopen jaren meer en meer uit de publieke belangstelling, maar dit bracht een oplossing uiteraard niet dichterbij.
Een andere ontwikkeling is dat kernenergie en de opslag van kernafval de afgelopen jaren regelmatig in verband werden gebracht met ethiek en duurzame ontwikkeling. Maar wat ethiek en duurzame ontwikkeling exact betekenen bleef daarbij onderbelicht. Dit maakte eens te meer duidelijk dat kernafval een probleem is met zowel technische als maatschappelijke aspecten, maar dat die aspecten tot nu toe vaak los van elkaar werden behandeld. Meer in het algemeen viel het op dat er geen discussies plaats vonden tussen aan de ene kant technici en aan de andere kant sociale wetenschappers of de bevolking.
Deze twee ontwikkelingen waren aanleiding om bij de Commissie Opberging Radioactief Afval (CORA) een onderzoeksvoorstel in te dienen. Het doel was om verschillende opvattingen en dimensies die een rol spelen bij, ethiek, duurzaamheid en maatschappelijke aanvaarding van risico's te verhelderen.
Met het nu voorliggende onderzoeksrapport hopen we de verschillende groeperingen inzicht en handvatten te bieden bij een discussie over terughaalbare opslag van kernafval. We proberen met dit rapport de technische en de ethische en maatschappelijke kanten met elkaar te verbinden en hopen zo bij te dragen aan een evenwichtiger discussie over opslag van kernafval.
Dankzij de inzet van drs. L van de Vate (projectmanager CORA) en ir. B. Hageman (voorzitter CORA) is het voorstel gerealiseerd. De kritische opmerkingen van de leden van de begeleidingscommissie, bestaande uit dr. H.G.J. Gremmen (Landbouwuniversiteit Wageningen), prof. ir. H.J. de Haan (lid CORA), dr. W.A. Smit (Universiteit Twente) en prof. dr. C.A.J. Vlek (Universiteit Groningen) hebben een grote invloed gehad op de inhoud van dit rapport, hoewel de verantwoordelijkheid voor de eindtektst uiteraard berust bij ondergetekenden.
Dit rapport is nadrukkelijk bedoeld als aanzet voor een door de CORA geplande discussie over het afvalprobleem. We pretenderen hiermee niet het laatste woord gegeven te hebben. Dit rapport gaat vooral over afval van kerncentrales en veel minder over het in volume veel omvangrijker gevaarlijk, chemisch afval.
Internationaal zijn er vele gebeurtenissen rond opslag van kernafval. Rapporten en studies van na 1 november 1998 konden niet meer verwerkt worden.
Herman Damveld Robert Jan van
den Berg
Groningen Wageningen
Januari 2000