2.1 OMGAAN MET RADIOACTIEVE STOFFEN
Binnen het ITAL was de Stralingsbeschermingsdienst (SBD) verantwoordelijk voor het toezicht op het werken met radioactieve stoffen. In het "hot-lab" in de kelder van het RCL werden de stoffen opgeslagen en klaargemaakt voor de experimenten. In de "Waste" afdeling naast het hot-lab werden de radioactieve afvalresten verzameld en verpakt[58].
Voorschriften
De regels voor het werken met radioactieve
stoffen werden vastgelegd in een dik boekwerk van de SBD uit 1965. Daarin
werd precies voorgeschreven hoe er met de stoffen in de laboratoria moest
worden gewerkt. Elk experiment met radioactieve stoffen moest worden goedgekeurd
door de SBD. De laboratoria in het RCL waren in drie klasses ingedeeld,
afhankelijk van de hoogte van de straling en het risico van besmetting.
Een laboratoriumruimte ingedeeld in een hogere klasse moest weer grenzen
aan een ruimte in een klasse lager. Zo mocht een ruimte uit de hoogste
klasse ("paars") nooit grenzen aan een ruimte waar geen radioactieve stoffen
werden gebruikt. In de voorgeschreven indeling zou een incident in een
"paarse" ruimte slechts kunnen leiden tot besmetting van een laboratium
in een klasse lager en niet tot directe besmetting van een niet-radioactief
lab.
Controles
Alle medewerkers en bezoekers van het RCL,
RBL en de BARN waren verplicht "filmbadges" te dragen om de ontvangen straling
te registreren (de zwarting van het fotografische materiaal in het plaatje
is een maat voor de ontvangen dosis straling). Het betreden van de laboratoria
liep via speciale kleedruimtes, een soort ‘sluizen’ van het niet-actieve
naar het actieve gedeelte. Bij het verlaten van de laboratoria was men
verplicht de handen en kleren met een besmettingsmonitor te controleren
op activiteit[59]. Met deze strenge regels probeerde
men te voorkomen dat er besmettingen buiten het RCL terecht zouden komen.
Een enkele keer werd toch geconstateerd dat de controle op besmettingen
genegeerd werden. Zo werd soms gereedschap in de laboratoria gebruikt en
niet gecontroleerd bij het terugbrengen naar de werkplaats: "Merkwaardigerwijze
blijkt het toch veel voor te komen dat deze voorwerpen niet op radiocontaminatie
worden gecontroleerd"[60]. In het RBL was het gebruik
van open radioactieve stoffen overigens verboden en afval van plantenmateriaal
wat in de reactor bestraald was diende apart ingezameld te worden[61].
Voor het werken in de lysimeter golden vergelijkbare veiligheidsregels
als in het RCL[62].
Radioactief afval
Alle (radioactieve) afvalwater uit de laboratoria
werd opgevangen in speciale tanks in de kelder van de Waste-afdeling. Vloeistoffen
met geconcentreerdere activiteit moest apart worden ingezameld in de laboratoria.
Het water in de afvaltanks werd gecontroleerd op activiteit en indien nodig
via een ionenwisselaar (werkt als een soort filter) gereinigd. Daarna ging
het naar de lozingstanks (30m3) waarna het via een afvoerpijp
bij de papierfabriek in Renkum in de Rijn werd geloosd[63].
Vast radioactief afval werd in de ‘60-er en ‘70-er jaren naar de Belgische
firma Belgonucleaire in Mol afgevoerd[64].
Overdracht afvalinzameling
In 1988 komt er een eind aan het onderzoek
bij het ITAL. In heel Wageningen werd er toen op een twintigtal instituten
radioactief afval geproduceerd, wat centraal werd ingezameld op de Waste-afdeling
van het ITAL onder toezicht van het Buro Veiligheid en Milieuhygiëne
(BVM) van Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) van het ministerie van
Landbouw. Met het einde van het ITAL werden in 1988 de Waste-afdeling,
het hot-lab en de gesloten BARN formeel overgedragen aan BVM/DLO. Ook de
vergunningstechnische kwesties werden daarin betrokken. Voor een bedrag
van 60.000 gulden werden in de Waste-afdeling aanpassingen uitgevoerd,
bijvoorbeeld aan de afvalwatertanks. Voor groot onderhoud aan het BARN-gebouw
(o.a. schilderwerk en reparaties dakbedekking) werd 85.000 gulden begroot[65].
Tekortkomingen
In maart 1992 werd het BVM door de Arbeidsinspectie
gewezen op een aantal "tekortkomingen respectievelijk overtredingen" in
de Waste-afdeling. Zo wees de Inspectie op achterstallig onderhoud en open
verbindingen met andere ruimtes. Dit zou een risico kunnen vormen bij een
ongecontroleerd vrijkomen van radioactieve stoffen. Ook de brandveiligheid
schoot in dit verband tekort. Om radioactieve stoffen naar de afvalopslagruimte
in de kelder te verplaatsen maakte men gebruik van een vorkheftruck wat
niet was toegestaan. De brief van de Inspectie meldde: "Deze opmerkingen
zijn van een zodanige aard dat ik met het BVM van mening ben, dat ter plaatse
nauwelijks een acceptabele oplossing gecreëerd kan worden"[66].
DLO overwoog vervolgens om het BARN-gebouw[67] of
het PROVO-gebouw[68] geschikt te maken voor het
verwerken en opslaan van radioactief afval. Die verhuizing is nooit doorgegaan.
Uiteindelijk vertrok BVM in 1997 naar het DLO complex aan de Bornsesteeg[69].
2.3 SCHOONMAAKWERKZAAMHEDEN 1993/1994
Tussen juni 1993 en juni 1994[70] werd de controle en schoonmaak van de laboratoria van het RCL-gebouw uitgevoerd, met uitzondering van de Waste-afdeling en het hot-lab, waar het BVM gehuisvest was. Met de schoonmaak van de RCL-vleugel kon dat deel worden vrijgegeven voor een eventuele nieuwe huurder. In het RCL waren vòòr 1980 een groot aantal ruimtes in gebruik waar met radioactieve stoffen werd gewerkt. Na een reorganisatie is toen een aantal van die ruimtes gecontroleerd op besmettingen en in 1982 vrijgegeven voor niet-radiologisch werk. Met de controles/schoonmaak van 1993/1994 werd de rest van de laboratoria dus vrijgegeven.
Metingen
Van de ruimtes werden de vloer, de werktafels,
zuurkasten, de wanden, luchtafvoerkanalen en waterafvoerpunten gecontroleerd.
De controles werden uitgevoerd met een besmettingsmonitor en door middel
van veegtesten. Bij een veegtest wordt met een wattenstaafje met ethanoloplossing
(alcohol) een oppervlak van 100 cm2 bestreken. De afgewreven
activiteit kan dan met behulp van een zogenaamde vloeistofscintillatiemeter
worden bepaald. Voor elke vierkante meter vloer en wand werd 1 veegtest
genomen. Daarnaast werden in en op de vloer voor de zuurkasten en bij putjes/luchtafvoer
extra veegtesten afgenomen. De norm voor vrijgave bij afwrijfbare oppervlakte-besmetting
lag op 3,7 Bq/cm2 voor beta/gammastralers. Voor alphastralers
lag de norm op 0,4 Bq/cm2. Veiligheidshalve werd voor vrijgave
voor alle soorten straling een norm van 0,4 Bq/cm2 gehanteerd[71].
Besmettingen C008/C009
De belangrijkste besmettingen werden gevonden
in de kelder-ruimtes C008 en C009. In ruimte C008 werden grond- en wortelanalyses
uitgevoerd. In die ruimte bleek een glovebox en aansluitend afzuigkanaal
besmet te zijn. Metingen met een besmettingsmonitor aan de filters van
dat kanaal op de zolder gaven een besmetting aan van 15 Bq/cm2 [72].
Het luchtafvoerkanaal zelf had een interne besmetting met koolstof-14.
De besmetting lag net boven de gehanteerde vrijstellingsnorm. De gemiddelde
activiteit van de vier veegtesten bedroeg 0,6 Bq/cm2. De hoogste
waarde in de filterkast zelf bedroeg 0,38 Bq/cm2.[73]
De filterkast op zolder en het luchtafvoerkanaal werden destijds niet verwijderd
en konden dus niet worden vrijgegeven[74]. In december
1997/januari 1998 werden de kast en luchtafvoerkanaal alsnog gedemonteerd
en schoongemaakt[75].
In ruimte C009 bevond zich de ESPAS-opstelling (Experimental Soil Plant Atmosphere System), waarin kooldioxidegas met radioactief koolstof-14 werd gebruikt. De koelunit bleek besmet. In januari/februari 1994 werden de onderdelen uit beide ruimtes ontmanteld, gecontroleerd op radioactiviteit, gereinigd en afgevoerd als radioactief bedrijfsafval of (indien mogelijk) recyclebaar metaal[76]. De hoogste besmetting die met een veegtest werd gemeten bedroeg 9,1 Bq/cm2 .[77]
Als radioactief afval (activiteit groter dan 100 Bq/g) werden twee 60 liter vaten naar de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA) in Borssele afgevoerd. Ongeveer 2 m3 licht besmet materiaal werd afgevoerd naar de AVR[78].
Andere laboratoriumruimtes
De andere onderzochte laboratorium-ruimtes
bleken allemaal te voldoen aan de vrijgavenorm. De meesten hadden minimale
besmettingen met tritium (3H) of koolstof-14[79].
2.4 SCHOONMAAKWERKZAAMHEDEN 1997/1998
Eind 1997 verhuisde BVM naar de Bornsesteeg 75 in Wageningen. Daarmee konden de laatste schoonmaakwerkzaamheden worden verricht in het dan leegstaande ITAL-hoofdgebouw. In december 1997 en januari 1998 werden de Waste-afdeling, het hot-lab, het reactorpompgebouw (opslag licht radioactief afval) en de lozingspijp naar de Rijn onderzocht op besmettingen. De metingen werden net als in 1993/1994 uitgevoerd met een besmettingsmonitor en met veegtesten. Ook werden dezelfde vrijgavenormen gehanteerd[80].
Waste-afdeling
In de Waste-afdeling bleken de afvalwatertanks
en een overstortput besmet sediment te bevatten. Eén monster bevatte
een activiteit van 176,2 Bq/g, wat boven de norm voor radioactief afval
(100Bq/g) lag. Verder werden er lichte besmettingen gevonden in de luchtafvoer
van een afvalverkleiningsmachine. De hoogste waarde bedroeg 0,45 Bq/cm2,
en lag daarmee net boven de vrijgavegrens. De kast werd gedemonteerd en
het luchtafvoerkanaal werden van binnen schoongemaakt. Het sediment uit
de afvaltanks werd afgevoerd naar de COVRA[81]. De hoogst
gemeten waarde van afwrijfbare activiteit op de vloer van de Waste bleek
0,0337 Bq/cm2, wat dus 10 keer onder norm voor vrijgave lag.
De gemiddelde besmetting op de vloer bedroeg 0,0187 Bq/cm2.[82]
Hot-lab
In het hot-lab werden ook lichte besmettingen
op de vloer, in putjes, op wanden en in de zuurkast gevonden. Deze besmettingen
kunnen verklaard worden uit het feit dat in de ruimte veel radioactieve
stoffen waren opgeslagen en preparaten voor onderzoek werden klaargemaakt.
De hoogste waarde werd in een syfon onder een wasbak gevonden en lag op
0,1548 Bq/cm2. De gemiddelde waarde in de zuur- en afzuigkast
lag op 0,0215 Bq/cm2. De gemiddelde activiteit van de veegmonsters
van de vloer bedroeg 0,020 Bq/cm2.[83]
Reactorpompgebouw
In het reactorpompgebouw werd lichtactief
afval opgeslagen met een korte levensduur om te vervallen tot niet-actief
afval. Het betrof voornamelijk fosfor-32 (halfwaardetijd 14 dagen) en zwavel-35
(halfwaardetijd 87 dagen)[84]. De hoogst gemeten (afwrijfbare)
vloerbesmetting bedoeg 0,079 Bq/cm2 en het gemiddelde van alle
testen 0,010 Bq/cm2, veertig keer onder de norm voor vrijgave
dus[85].
Rijnleiding
Van de "Rijnleiding" werden op drie
punten (in de Waste-afdeling, bij een afsluiter aan de Hartenseweg in Wageningen
en bij het lozingspunt bij de Rijn) veegtesten van de binnenzijde genomen.
De hoogst gemeten waarde (Hartenseweg) bedroeg 0,142 Bq/cm2.[86]
Daarmee werd de conclusie getrokken dat de leiding naar de Rijn niet verwijderd
hoefde te worden omdat de besmettingen niet boven de norm lagen. In de
begroting van 1996 voor de sloop staat echter nog wel 153.000 gulden begroot
voor het uitgraven van de 4,5 kilometer lange leiding. Er werd daarin wel
geconstateerd dat "met de betreffende eigenaar [van percelen] moeten worden
besproken in hoeverre verwijdering noodzakelijk is en op welke wijze dit
zal gebeuren"[87].
Toen de gemeente Renkum (laatste deel
van het leidingtraject) in 1961 toestemming gaf voor de aanleg van de afvoerleiding
werd echter wel vastgelegd dat de leiding uiteindelijk verwijderd diende
te worden. Artikel 9 van het gemeentelijke besluit luidt: "Is de vergunning
ingetrokken, dan moet de houder van de vergunning [ITAL] de krachtens deze
vergunning aanwezige werken opruimen en de gemeentewerken ter plaatse in
de vorige toestand brengen zonder aanspraken op schadevergoeding te kunnen
doen gelden"[88].
‘Conservering’
Nadat de BARN-reactor in 1980 was stilgelegd
en de brandstof in 1982 was afgevoerd kon begonnen worden met de eerste
fase van de ontmanteling. Die eerste fase bestond uit het ‘conserveren’
van het gebouw, waarbij de radioactieve restdelen onder in het reactorvat
werden opgeslagen. Die werd daarna afgesloten met een betonnen plug, in
afwachting van de definitieve afbraak. Met het definitieve afbreken van
de reactor werd niet direct na het stilleggen van de reactor begonnen om
zo de radioactieve stoffen voor een groot deel te laten vervallen. De activiteit
van het isotoop cobalt-60 (ontstaan in metalen delen door neutronenactivering)
bijvoorbeeld zal na 10 jaar tot een kwart zijn gereduceerd.
De firma Nucon Engineering & Contracting
B.V. werd ingeschakeld om een conserveringsplan te maken. Nadat de actieve
onderdelen waren geordend op de bodem van het reactorvat werd de bovenkant
van de reactor afgesloten met de betonnen plug, waarna het water uit de
kern werd gepompt[89]. Op een speciale "componentenlijst"
werd bijgehouden welke onderdelen (en met welke activiteit) in de kern
werden opgeslagen. Dit was mede bedoeld als naslagwerk voor de definitieve
ontmanteling[90]. Alle relevante documenten werden tevens
in papier- en microfiche vorm in een plastic koker verpakt en in een kluisje
in de bovenste betonnen plug opgeslagen[91]. De buitenbedrijfstelling
werd in december 1984 voltooid[92].
Voor de ‘conservering’ van de reactor was
een nieuwe vergunning in het kader van de Kernenergiewet noodzakelijk.
Die werd op 14 maart 1984 verleend door de ministeries van VROM en Sociale
Zaken. Daarin werd vastgelegd dat na 10 jaar zou worden geëvalueerd
of de reactor definitief kon worden ontmanteld[93].
Afvoer actieve onderdelen uit kern (1996/1997)
De feitelijke ontmanteling begon in 1996 met
het controleren op activiteit van de onderdelen in de kern. Eind 1997 werden
de laatste onderdelen in samenwerking met het ECN afgevoerd. Licht besmette
onderdelen werden gestort op de stortplaats "De Keijenberg" te Wageningen.
De hoog-actieve delen werden voor verdere behandeling naar het ECN in Petten
gebracht om uiteindelijk opgeslagen te worden bij de COVRA in Borssele[94].
Voor het verwijderen van de onderdelen werd een vrijstellingsnorm van 100 Bq/g gehanteerd. De kerndoos (brandstofrek), de regelplaten, het bismutscherm (naast de kern bij de thermische kolom) en de roosterplaat waren hoog radioactief geworden door de bestraling met neutronen en zorgden voor meer dan 97% van de aanwezige activiteit in de opslag. Voor deze onderdelen werden speciale transportcontainers gebouwd. De straling aan de oppervlakte van de roosterplaat bleek 3,5 milliSievert per uur te bedragen (meer dan 35.000 keer de natuurlijke achtergrondstraling). De plaat werd op 5 november 1996 in een speciale container afgevoerd naar het ECN. De straling aan het oppervlak van het bismutscherm bedroeg 1,5 mSv/h. Het 330 kilogram zware onderdeel werd in dezelfde container als de roosterplaat afgevoerd. Nadat de regelplaat in een opslagvat was geplaatst bleek de straling aan de buitenkant van dat vat rond de 4 mSv/h te liggen. Het opslagvat werd vervolgens in een speciale transportkist met beton/lood afscherming geplaatst en eveneens op 5 november 1996 afgevoerd. De kerndoos bleek de hoogste straling af te geven: 8 mSv/h aan de buitenzijde. Ook dit onderdeel werd in een speciale kist met beton/lood afscherming afgevoerd naar het ECN (8 november 1997)[95].
Nadat de vier meest radioactieve componenten waren afgevoerd kon men verder gaan met de volgende fase. De activiteit van de twee bismutschermen (1300 en 2230 kg) onder de kern werd in 1982 geschat op 1500 Bq/g (polonium-210). Vanwege de korte halfwaardetijd van polonium-210 (139 dagen) kon er nauwelijks nog sprake zijn van activiteit behalve dan van activering van de aluminium bekleding (cobalt-60). Aan de oppervlakte werd een maximale stralingsdosis van 0,3 microSievert per uur gemeten (enkele malen de natuurlijke achtergrond). Omdat dit onder de vrijgavenormen lag zijn de bismutschermen op 4 februari 1997 afgevoerd als recyclebaar materiaal. Het zwaar-watervat vertoonde aan de bovenkant een stralingswaarde boven de vrijgavegrens. Dit deel werd uitgezaagd en naar de COVRA afgevoerd. Van de bestralingsbuizen (bundelkanalen) werden de uiteinden afgezaagd en afgevoerd naar de COVRA. Uit de bodem van het reactorbassin werden verder 0,3 m3 beton en koelleidingen verwijderd en afgevoerd naar de COVRA [96] . Diverse licht besmette onderdelen (circa 1000 kg) werden in "big bags" afgevoerd naar stortplaats "De Keijenberg"[97].
Reactorbassin (1999)
Nadat de losse componenten waren verwijderd
bleek er nog wel activiteit aanwezig, met name in de reactorbodem en de
wanden. De hoogst gemeten stralingswaarde bedroeg 190 microSievert per
uur. Ook werden veegtesten genomen in het reactorbassin. Op de wand werd
een hoogste waarde van 20 Bq/cm2 gemeten. Nadat het bassin was
schoongemaakt werd een maximale besmetting van 0,7 Bq/cm2 gemeten.
Dit lag onder de wettelijke vrijstellingsnorm van 3,7 Bq/cm2 voor
beta/gammastralers. Uit de met aluminium bekleedde betonnen bodem en wand
werden boringen gehaald voor verder onderzoek. Het betonmonster tussen
de koelleidingen bleek 824 Bq/g te bevatten, wat boven de vrijstellingsnorm
ligt. Andere betonmonsters hadden een maximale activiteit van 31,58 Bq/g
en het betonijzer in de wand bleek 0,135-0,22 Bq/g te bevatten[98].
In de volgende fase werd het reactorbassin ontmanteld. In de bodem van het bassin zat toen nog een laatste restbesmetting. Juni 1999 begon deze laatste fase van de ontmanteling. Eerst werd het dak en de muren van het reactorgebouw gesloopt en vervolgens het bovenste deel van het reactorbassin. Daarna kon de bodem met de restbesmettingen worden verwijderd. In overleg met de Inspectie Milieuhygiëne werd besloten dat materiaal met een activiteit van minder dan 10 Bq/g kon worden vrijgegeven voor hergebruik. Materiaal met een hogere activiteit zou worden gestort op de stortplaats "De Keijenberg". Ongeveer 7,6 ton betonresten werd op die stortplaats afgeleverd[99]. Hoewel het betonijzer minder dan 10 Bq/g activiteit bevatte werd het toch naar de stortplaats gebracht (48 ton)[100]. Bij twee zendingen naar een recycling firma in Veenendaal werden bij ingangscontroles licht verhoogde straling geconstateerd en werden de bewuste partijen geweigerd. Om praktische redenen is toen besloten het betonijzer op "De Keijenberg" te storten. Als laatste werden de niet-actieve gebouwdelen gesloopt[101].
Stortplaats "De Keijenberg"
Het materiaal wat gestort werd op "De Keijenberg"
werd afgedekt met ten minste 1 meter normaal afval om als extra stralingsafscherming
te dienen. Naar verwachting zal de stortplaats minstens 50 jaar onaangeroerd
blijven[102]. Omdat het geactiveerd materiaal betreft
(de activiteit zit binnen in het beton of ijzer) is het verspreidingsrisico
laag. Na 50 jaar is de activiteit voor het grootste deel vervallen. In
het betonijzer betreft het maximaal 10 Bq/g cobalt-60, wat na 50 jaar gereduceerd
is tot ongeveer 0,01 Bq/g. In het beton betreft het maximaal 26,59 Bq/g
europium-152, wat na 50 jaar is gedaald tot ongeveer 1,66 Bq/g[103].
Bodemonderzoek
Nadat het BARN-gebouw verwijderd was zijn
er in de achtergebleven bouwput grondmonsters genomen voor onderzoek naar
eventuele besmettingen in de bodem als gevolg van de sloop. Op vier punten
werden boringen gedaan. Deze boringen werden in vijf lagen onderscheiden
(tot 50 centimeter diep) en elke laag apart onderzocht. Er werden lichte
concentraties van activerings- en splijtingsproducten aangetoond. De hoogste
waarde werd gevonden voor de stof europium-152 (splijtingsproduct in beton)
met 8,93 Bq/kg grond. De activeringsproducten cobalt-57 en cobalt-60 werd
in kleinere hoeveelhden aangetroffen. Wat betreft cesium-137 (splijtingsproduct)
werd maximaal 0,66 Bq/kg gemeten. In een referentiemonster van buiten het
terrein bedroeg dat 15,1 Bq/kg. Dit kan worden verklaard door de ramp in
Tsjernobyl (1986) die tot ‘besmetting’ van het referentiemonster heeft
geleid. Nadat de resultaten bekend waren is de bouwput dichtgestort met
zand[104].
Cobaltbronnen
Nadat het DLO in 1995 had besloten het onderzoek
van PROVO (en haar opvolger) te beëindigen werd nog gezocht naar een
potentiële afnemer van de cobaltbronnen. Die vond men niet en dus
werden de gammabronnen in februari 1996 uit de Marsh en de IFFIT verwijderd
en afgevoerd naar het ECN in Petten voor opslag aldaar[105].
De totale activiteit van de beide bronnen
was door het verval van cobalt-60 inmiddelsafgenomen. De initiële
activiteit van de Marsh-bron was 3200 TBq en die van de IFFIT-bron 3700
TBq. Door het verval van cobalt-60 was de totale activiteit in de 26 bronstaven
die werden afgevoerd naar Petten nog maar 1798 TBq[106].
Restbesmettingen
Nadat de cobaltstaven waren verwijderd zijn
de lege bronrekken van beide installaties onderzocht op achtergebleven
restbesmettingen. Beide bronhouders zijn gecontroleerd met een besmettingsmonitor
en met behulp van veegtesten. Uit het waterbassin van de IFFIT werd ook
een watermonster genomen en onderzocht op besmetting met cobalt-60. Uit
de veegtesten bleek dat de maximale afwrijfbare activiteitswaarde kleiner
was dan 4 Bq per 100 cm2 (=0,04 Bq/cm2). Dat lag
tien maal onder de gehanteerde vrijgavenorm van 0,4 Bq/cm2.
Het watermonster bevatte minder dan 1 Bq cobalt-60 per liter. Ook dat lag
onder de vrijgavenormen[107].
Besmette grond
In 1981 werd de lysimeter in gebruik genomen.
De grond in de betonnen bakken werd "besmet" met een aantal radioactieve
stoffen om de opname door planten en uitspoeling door regen te bepalen.
Voor het experiment werd in 1981 een Kernenergiewet vergunning afgegeven
voor de duur van 10 jaar. In 1991 werd een vervolgexperiment zonder radioactieve
stoffen voorbereid. Daarvoor moest de nog aanwezige radioactieve grond
worden uitgegraven[108].
Uit de bakken werden een aantal monsters genomen
om de concentraties van nog aanwezige radioactieve stoffen te bepalen.
Die bleken voor 90% in de bovenste 20 centimeter grond te zitten. De stoffen
cobalt-57, cobalt-60, cesium-134, cesium-137, mangaan-54 en zink-65 waren
nog aanwezig in de grond. In alle monsters gaf cesium-137 de hoogste waarde,
met een maximum van 20 Bq per gram. Voor cobalt-60 lag de maximumwaarde
op 8 Bq per gram. Voor de andere stoffen waren de gemeten concentraties
enkele malen lager[109].
Afvoer naar stortplaats
Omdat de concentraties radioactieve stoffen
onder de 100 Bq per gram (de norm voor radioactief afval) lagen werd besloten
de bovenste 20 centimeter af te graven en op de stortplaats in Wageningen
te deponeren. In totaal bedroeg het 15 m3 grond met een totale
activiteit van ongeveer 370 MBq. Bij metingen boven de bakken was geconstateerd
dat de stralingsdosis op 1 meter afstand ongeveer 2,0 microSievert per
uur bedroeg. Dit ligt ongeveer 20 keer boven de natuurlijke achtergrond.
Om voor extra afscherming te zorgen op de stortplaats werd afgesproken
de grond af te dekken met 2 meter andere afvalstoffen. Volgens berekeningen
zou een afdekking met een 1 meter dikke laag afval met dezelfde dichtheid
als grond zorgen voor een vermindering van het stralingsnivo met een factor
100. Door het vervallen van de radioactieve stoffen zal het stralingsnivo
van de grond na 60 jaar niet meer boven de natuurlijke achtergrondstraling
uitkomen[110].
Ook is nog nagegaan of het risico bestond dat
het grondwater onder de stortplaats zou kunnen worden besmet door uitspoeling
van de stoffen. Dat werd uitgesloten omdat enerzijds het grondwaternivo
15 meter onder het nivo van de radioactieve grond zou liggen. Anderzijds
bleek uit de 10 jaar ervaring met de lysimeter dat de stoffen sterk gebonden
waren aan de gronddeeltjes en nauwelijks uitspoelden gedurende de 10 jaar
nadat de grond in de lysimeter was "besmet"[111].
In december 1991 werd de radioactieve grond
uit de bakken verwijderd en afgevoerd naar stortplaats "De Keijenberg"[112].
De wanden van de betonnen bakken bleken na het verwijderen van de grond
geen restbesmettingen meer te bevatten[113].