3. VAN LEEGSTAND NAAR SLOOP

3.1 NIEUWE HUURDER?

Leegstand
Nadat het ITAL onderzoek in 1988 was beëindigd deed men nog een poging de gebouwen opnieuw te verhuren. Het ministerie van Landbouw werd op 28 november 1991[114] de eigenaar van de gebouwen. Staatsbosbeheer (tegenwoordig Arcadis) was de eigenaar van de grond, waarbij ITAL en PROVO het terrein in het verleden in erfpacht hadden[115]. In 1992 besloot het Instituut Bodembiologie van DLO ook te gaan verhuizen naar het complex aan de Bornsesteeg. Daarmee zou het ITAL hoofdgebouw (kantoor, RBL en RCL) voor het grootste gedeelte (excl. gebruik door BVM) leeg komen.

Gedeeltelijke sloop en conservering
Er werden in 1992 plannen gemaakt om de panden geschikt te maken voor een nieuwe huurder. Er werd besloten de kassen bij het RBL te slopen evenals de bovengrondse delen van de lysimeter en er werd een kostenraming gemaakt voor de sloop van het RBL zelf. Het kantoorgebouw en de RCL-vleugel konden dan opnieuw worden verhuurd indien de Waste-afdeling zou verhuizen naar het BARN-gebouw[116]. De op het terrein aanwezige BARN-reactor werd door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) wel omschreven als "lastig" maar bleek geen struikelblok te zijn voor potentiële kopers. De grootte van het complex en het ontbreken van een goed openbaar vervoer netwerk bleek een groter punt[117]. Er werd een begroting gemaakt hoe men de gebouwen van 1993 tot en met 1995 met minimale kosten zou kunnen conserveren. Men kwam uit op een totaalbedrag van 445.000 gulden (incl. permanente wekelijkse controlerondes voor een totaalbedrag van 50.000 gulden). Dat bedrag zou worden besteed aan schilderwerk, betonreparaties, beglazing, gevels, het dichttimmeren van het RBL en het slopen van de kassen[118].

Conserveringskosten te hoog
Omdat de geschatte kosten voor het conserveren van het hoofdgebouw wel erg hoog waren werd in 1994 ook een begroting gemaakt voor de totale sloop van het hoofdgebouw. Daarbij zou de Waste-afdeling verhuizen naar het PROVO-gebouw en de BARN-reactor blijven staan. De totale kosten daarvan werden geschat op 1,34 miljoen gulden[119]. Omdat een potentiële huurder uitbleef werd er uiteindelijk verder gewerkt aan de sloop. In 1996 was het duidelijk dat men de ontmanteling van de BARN technisch aankon en de radioactiviteit voldoende was vervallen (daarvóór hield men nog rekening met een wachttijd van 50 jaar). In totaal werd 2,2 miljoen gulden begroot (incl. 200.000 voor de BARN en 150.000 voor PROVO) voor de totale sloop en het kaal opleveren van het terrein. De sloop zou dan in oktober 1997 kunnen worden afgerond[120].

Sloop 4 jaar vertraagd
Zo snel is het uiteindelijk niet gegaan. De ontmanteling van de radioactieve onderdelen van de BARN werd in 1996/1997 uitgevoerd[121] en in december 1997/januari 1998 werden de ruimtes van BVM schoongemaakt[122]. De laatste delen van het reactorgebouw werden in de zomer van 1999 gesloopt[123]. Daarna kwam het hele complex leeg te staan. Pas twee jaar later, toen de krakers zich in de gebouwen huisvesten, leek men weer serieus werk te maken van de sloopplannen.

3.2 GEKRAAKT

Straling?
Op maandag 27 augustus 2001 betrok een groep van 5 krakers de gebouwen. Een paar weken voordat het complex gekraakt werd namen de krakers contact op met de stichting Laka. De naam "Instituut voor Toepassing van Atoomenergie in de Landbouw" leidde bij hen tot de conclusie dat daar gewerkt was met radioactieve stoffen. Ook was hen bekend dat er op het complex een kernreactor had gestaan. Een eerste onderzoek in het documentatiecentrum gaf meer inzicht in de werkzaamheden in de diverse gebouwen. Twee weken voorafgaand aan de kraak werd door Laka en de toekomstige bewoners het terrein en de gebouwen bezocht en werden stralingsmetingen verricht.

Metingen
Er werden metingen verricht in diverse laboratoriumruimtes in het RCL, in de Waste-afdeling, in het RBL, in het PROVO-gebouw en op de lokatie van de voormalige BARN-reactor. De metingen werden gedaan met een "RDS-110" dosismeter. De gemeten waardes varieerden zowel binnen als buiten tussen de 0,05 en 0,11 microSievert per uur. Dit zijn normale waardes voor de natuurlijke achtergrond. In de ruimtes waar eventuele restbesmettingen aanwezig zouden kunnen zijn (Waste-afdeling en hot-lab) werden geen hogere waardes gevonden.
Het was echter wel zichtbaar dat er schoonmaakwerkzaamheden hadden plaatsgevonden. Zo waren in de Waste-afdeling onderdelen verwijderd en luchtafvoerkanalen voorzien van stickers met de aanduiding "radioactiviteit". In ruimte C008 (zie paragraaf 2.3) bleek het luchtafvoerkanaal tot aan de zolder te zijn uitgebroken.

Zichtbare decontaminatiewerkzaamheden en niet verhoogde stralingswaardes gaven echter nog geen 100% garantie dat alles schoon zou zijn. Er zou immers sprake kunnen zijn van achtergebleven lichte besmettingen die geen meetbare verhoging ten opzichte van de natuurlijke achtergrondstraling zouden veroorzaken. Na het bezoek en ook uit beschikbare documenten was het al wel duidelijk geworden in welke ruimtes van het ITAL met radioactieve stoffen of bronnen was gewerkt. Daarbij waren het RCL, het hot-lab en de Waste-afdeling de meest verdachte lokaties, met name omdat daar met open radioactieve bronnen was gewerkt.

Advies aan bewoners
Laka gaf dan ook het advies aan de toekomstige bewoners om het RCL, de Waste-afdeling en het hot-lab te mijden en geen onderdelen of achtergelaten gereedschap mee te nemen uit die ruimtes. Gezien de gebruikshistorie konden het hoofdgebouw en RBL zonder problemen worden bewoond. Ook het PROVO-gebouw werd door Laka bewoonbaar geacht, mits men voor de zekerheid de bronruimtes zou vermijden. Daarnaast werd aan de krakers meegedeeld dat ze voorzichtig moesten zijn bij het aantreffen van "verdachte voorwerpen", met name wat betreft oud laboratoriummateriaal.

Weigeren informatie
Om meer duidelijkheid te krijgen over het werken met radioactieve stoffen en de uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden werd contact gezocht met het ministerie van Landbouw en de Arbo en Milieudienst van de universiteit. Op dinsdag 11 september 2001 (i.v.m. vakanties betrokkenen kon dit niet eerder) heeft Laka contact opgenomen met dhr. A.C. van Wijngaarden van het ministerie van Landbouw in Wageningen en met dhr. W. Koops van de Arbo en Milieudienst van WUR. Dhr. Koops kon melden dat alle gebouwen waren vrijgegeven en er dus geen besmettingen (lees: boven de normen) meer aanwezig waren. In eerste instantie bleek hij bereid op zoek te gaan naar rapporten over de schoonmaak en die aan Laka te sturen. Nadat hij echter contact had gehad met dhr. van Wijngaarden moest hij meedelen dat dat niet werd toegestaan door het ministerie en dat hij verder geen vragen meer mocht beantwoorden[124].

Wet Openbaarheid Bestuur
Om alsnog de rapporten over de schoonmaak te kunnen inzien maakte Laka gebruik van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB). In een WOB procedure kunnen documenten worden opgevraagd die bij een bepaald "bestuursorgaan" aanwezig zijn. Laka "WOBte" het ministerie van Landbouw en vroeg om alle documenten die aanwezig waren over schoonmaakwerkzaamheden in de ITAL- en PROVO-gebouwen[125]. Op 15 november 2001 beantwoorde het ministerie het WOB verzoek door een aantal relevante documenten over de schoonmaak van het RCL en de afbraak van de BARN-reactor toe te sturen[126]. Op 25 januari 2002 werd dat nog aangevuld met rapporten over de lysimeter en de PROVO bronnen[127].
 

3.3 VONDST RADIOACTIEVE BRON

Vaten
Op de dag dat het complex gekraakt werd werden er in de kelder van het reactorpompgebouw een aantal vaten gevonden met stralingssymbolen (stickers). Metingen aan het oppervlak van de vaten lieten geen verhoogde straling zien. Toch was het niet duidelijk waar deze vaten voor gebruikt waren. Wellicht waren ze in het verleden gebruikt voor opslag van radioactief afval en bevatten ze nog kleine resten radioactief materiaal. De vondst van de vaten benadrukte nogmaals het belang voorzichtigheid in acht te nemen bij het aantreffen van andere onduidelijke voorwerpen op het terrein.

Radioactieve bron gevonden
In het weekeinde van 13/14 oktober 2001 meldden de krakers aan Laka dat ze een drietal voorwerpen met een waarschuwingsopschrift hadden gevonden. Een potje bevatte een paarsige vloeistof en was voorzien van een sticker met als opschrift "radioactief", een tweede potje was leeg en een derde voorwerp betrof een plastic houder met daarin gemonteerd een metalen schijfje. Dit voorwerp was voorzien van een radioactiviteitsteken en de aanduiding "radio active material". De voorwerpen werden gevonden tussen vuilnisresten in een toiletruimte van het PROVO-gebouw. Uit metingen door Laka bleek dat het metalen plaatje een radioactieve stof bevatte. Met de dosismeter werd direct aan het oppervlak een stralingswaarde tussen de 2 en 3 microSievert gemeten. Op enkele decimeters afstand was de straling van de bron niet meer meetbaar[128].

Inspectie Milieuhygiëne ingelicht
Laka besloot daarop de vondst op 15 oktober te melden aan de Inspectie Milieuhygiëne te Rijswijk. Deze Inspectie is verantwoordelijk voor het afhandelen van incidenten met radioactieve stoffen in Nederland. De dienst is 24-uur per dag bereikbaar en kan op haar beurt weer andere instanties inschakelen. Van het aantal incidenten wat wordt aangemeld betreft het grootste deel het aantreffen van radioactief besmet metaalschroot bij metaalverwerkingsbedrijven[129].
In de Kernenergiewet, artikel 29.1, is geregeld dat men voor het "ontdoen" van radioactieve stoffen een vergunning moet hebben. Het achterlaten van radioactieve stoffen tussen vuilnisresten is dus niet toegestaan. Tevens is in artikel 33.1 voorgeschreven dat men bij de vondst van radioactieve stoffen aangifte dient te doen bij de burgemeester. De krakers hebben dat gedaan door contact op te nemen met de Wageningse wethouder voor Ruimtelijke Ordening, die dezelfde middag een bezoek aan het ITAL bracht[130]. Laka lichtte dhr. P. Arends van de Inspectie in, die daarop formeel beslag legde op de bron. Daarnaast werd dhr. W. Koops, stralingsdeskundige van de Arbo en Milieudienst van WUR ingelicht over de vondst. Beiden bezochten de volgende dag het ITAL om de bron nader te onderzoeken. Met een geavanceerde dosismeter werd geconstateerd dat het metalen plaatje de stof cesium-137 bevatte en dat de dosis aan het oppervlak 1,0 microSievert per uur bedroeg (inclusief de natuurlijke achtergrondstraling van 0,07 microSievert per uur)[131]. De andere potjes lieten geen verhoging zien. Ook de vaten in het reactorpompgebouw vertoonden geen verhoogde straling. De twee potjes en het bronnetje zijn door de Inspectie naar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gestuurd voor verder onderzoek.

Het is onduidelijk waarom het bronnetje was achtergelaten tussen vuilnis in het PROVO-gebouw. Volgens dhr. Koops was de bron waarschijnlijk afkomstig van het RIKILT instituut wat gebruik maakte van het PROVO-gebouw. Dat instituut deed onder andere onderzoek naar radioactiviteit in voedsel. Dit soort bronnetjes zou gebruikt worden om meetapparatuur te ijken. Het Buro Veiligheid en Milieu van DLO hield wel een administratie bij van alle bronnen in Wageningse instituten maar er werd tot nu toe nooit een bron vermist[132]. Er is dus een mogelijkheid dat er nog meer bronnetjes waren achtergelaten en in de afgelopen jaren door mensen zijn meegenomen als "souvenir". Voordat het PROVO-gebouw door de krakers weer in gebruik werd genomen werd het ook regelmatig bezocht door een groepje jongeren als hangplaats. En op 11 februari 2001 werd door de politie een einde gemaakt aan een illegale houseparty in het gebouw waarbij 250 bezoekers aanwezig waren[133].

Onderzoek RIVM en normen
Uit het onderzoek van het RIVM bleek de radioactieve bron 11.200 Bq cesium-137 te bevatten. Het bronnetje werd na het onderzoek afgevoerd naar de COVRA. De andere potjes bevatten geen enkele activiteit. Op dit moment worden nieuwe vergunningsnormen vastgelegd, waarbij de vrijstellingswaarde voor cesium-137 uitkomt op 10.000 Bq. Boven die waarde moet men vergunning hebben voor het voorhanden hebben van een cesiumbron. De nieuwe normen zijn inmiddels gepubliceerd in het Staatsblad van 29 januari 2002 en worden per 1 maart 2002 van kracht. Omdat de nieuwe normen op 15 oktober 2001 nog niet van kracht waren is bij het achterlaten van de cesiumbron op het ITAL terrein geen sprake van een overtreding in de zin van artikel 29.1 van de Kernenergiewet. Volgens de oude normering zou voor een dergelijke bron een maximale activiteit van 500.000 Bq mogen bevatten voordat het onder de Kernenergiewet valt.

Stralingsstickers
Het is overigens niet toegestaan stralingssymbolen achter te laten op voorwerpen die geen activiteit meer bevatten. Een heldere labelling van radioactieve stoffen bevattende voorwerpen en het ont-labellen van voorwerpen waarin geen radioactieve stof meer aanwezig zijn moet verwarring en vergissingen voorkomen. De Inspectie heeft WUR daarom de opdracht gegeven om op het ITAL-complex deze stickers te gaan verwijderen (van de genoemde vaten en van enkele onderdelen in de Waste-afdeling)[134]. De universiteit is voordat de sloop begon op het terrein geweest om de stickers te verwijderen. Aan de sloper werd tevens een inzamelbox beschikbaar gesteld voor eventuele nog aan te treffen verdachte voorwerpen[135].

Meer duidelijkheid gewenst
Het onbeheerd achterlaten van de radioactieve cesiumbron riep nogmaals de vraag op hoe de schoonmaak van de gebouwen verder is verlopen. Een van de krakers zei daarover tegen het Gelders Dagblad: "Ik woon hier, daarom wil ik graag weten wat er hier aan de hand is en wat hier gebeurd is. Als je opeens niet iets mag inzien, dan is er voor mijn gevoel veel meer aan de hand, misschien wel reden tot onrust"[136]. Open communicatie en inzage in de rapporten had veel van die onrust kunnen wegnemen. Het ministerie echter bleef op haar standpunt staan dat de rapporten niet openbaar waren en gaf een wel erg vreemd antwoord aan een journalist van het Gelders Dagblad: "Het is er schoon. Deze bron kunnen die krakers er wel zelf hebben neergelegd. […] Ik zie geen enkele reden om het onderzoeksrapport inzichtelijk te maken voor de pers, de bewoners of het Laka"[137].
 

3.4 STRALINGSRISICO'S

Rapporten
Uit de WOB-procedure kwamen een aantal rapporten beschikbaar die meer duidelijkheid gaven over de besmettingen in ITAL- en PROVO-gebouwen. De belangrijkste daarvan zijn:
- Controle op radioactieve besmetting ruimten in het ITAL-gebouw met een radiologische gebruikshistorie (1994) over schoonmaakwerkzaamheden in het RCL.
- Controle op radioactieve besmetting ITAL-gebouw, Keyenbergseweg 6 te Wageningen (1998) over schoonmaakwerkzaamheden in de Waste-afdeling, het hot-lab en het reactorpompgebouw
- Ontmanteling Biologische Agrarische Reactor Nederland (BARN), Keijenbergseweg 6 te Wageningen (1998) over de eerste ontmantelingsfases van de BARN-reactor
- Sloop BARN-gebouw, afvoer radioactiviteit en eindcontrole met betrekking tot radioactiviteit (1999) over de laatste ontmantelingsfase van de BARN-reactor
-Afvoer van cobalt bronstaven uit het Proefbedrijf voor Voedselbestraling (PROVO) te Wageningen en controle op radioactieve contaminatie (1996), over het ontladen van de cobaltbronnen bij PROVO.
- Verwijdering van verontreinigde grond uit "Lysimeteropstelling" (1991) over de afvoer van radioactief besmette grond uit de lysimeter

In hoodstuk 2 zijn de uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden beschreven en is ook aangegeven wat er aan mogelijke restbesmettingen is achtergebleven omdat die volgens de gehanteerde vrijgavenormen niet verwijderd hoefden te worden. Na bestudering van deze rapporten kon er een betere uitleg worden gegeven aan de krakers over radioactieve restbesmettingen in de gebouwen. De bewoners hadden tot dan toe tijdelijk gebruik gemaakt van een ruimte in het RBL en hadden later een gemeenschappelijke ruimte ingericht in de oude kantine van het hoofdgebouw. Eén bewoner woonde in een kantoorruimte van de PROVO, de rest in caravans op het terrein.

Berekeningen stralingsdosis
De potentiële blootstelling aan radioactieve restbesmettingen kan per ruimte worden bekeken en zal eventueel worden aangevuld met een berekening. Hierbij moet worden aangemerkt dat in een aantal gevallen een nogal extreem blootstellingsscenario wordt aangenomen. Denk dan bijvoorbeeld aan het inhaleren van de totale hoeveelheid stof die zich op een bepaald vloeroppervlak bevindt. Een onrealistisch scenario wat echter wel laat zien wat in het meest extreme geval de ontvangen stralingsdosis zou zijn. In werkelijkheid zal de blootstelling natuurlijk vele malen lager liggen. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van het Handboek Radionucliden, geschreven door A.S. Keverling Buisman, stralingsdeskundige van het ECN in Petten[138].

RBL (Caesar en Cecile)
De cesiumbronnen Caesar en Cecile werden al in 1982 afgevoerd naar Frankrijk (zie paragraaf 1.1). De plaats van de Caesar bronhouder werd vervolgens met triplex platen afgetimmerd. De kas waar Cecile zich bevond is een aantal jaren geleden gesloopt. Na het verwijderen van de bronnen is er gecontroleerd op eventuele achtergebleven besmettingen. Aangezien de Caesar ruimte een dichte en onverlicht bunker was is daar door de krakers verder geen gebruik van gemaakt. Van blootstelling aan straling is dan ook geen sprake.

RCL laboratoria
In diverse RCL ruimtes is gewerkt met radioactieve stoffen. Uit het rapport uit 1994 blijkt wel dat er nog restbesmettingen aanwezig waren na de schoonmaak (zie paragraaf 2.3). In de ruimtes C008 en C009 werden een aantal onderdelen verwijderd. In de andere ruimtes bleek slechts sprake van kleine restbesmettingen, die onder de vrijgavenorm lagen. Het betrof met name de stoffen tritium (3H) en koolstof-14, beiden zwakke beta-stralers. Bij de stralingsmetingen door Laka zijn de ruimtes ook betreden. De stralingsmeter gaf geen verhoogde waardes aan dus was er geen sprake van blootstelling aan directe straling van restbesmettingen.

Er is een scenario denkbaar dat via direct contact een restbesmetting in het lichaam wordt opgenomen, door het inslikken (ingestie) of inademen (inhalatie) van besmette stofdeeltjes. Wat betreft de laboratoriumruimtes in het RCL is dit scenario niet erg waarschijnlijk. Voor het inslikken of inademen van een besmetting bij een kort bezoek in een besmette ruimte moeten de radioactieve deeltjes wel makkelijk verspreidbaar zijn, bijvoorbeeld door opdwarrelen van stofdeeltjes. Dit is niet echt aannemelijk. Na het buiten gebruik nemen van de laboratoria zijn de ruimtes gereinigd door te dweilen (wat overigens daarvóór natuurlijk ook regelmatig gebeurde). Bij het controleren op radioactiviteit is met een in alcohol gedrenkt wattenstaafje over de vloer geveegd/gepoetst. Het dweilen en het gebruik van het oplosmiddel alcohol geeft al aan dat de radioactieve restbesmettingen niet echt mobiel zijn maar eerder vast zitten aan de vloer. In de volgende alinea over de Waste-afdeling en het hot-lab wordt wel een berekening gemaakt.

Waste-afdeling en hot-lab
De Waste-afdeling en het hot-lab werden in december 1997 en januari 1998 schoongemaakt en gecontroleerd op achtergebleven besmettingen. Sediment uit de afvalwatertanks bleek een besmetting boven de vrijgavenormen te bevatten. Daarnaast werd een afvalverkleiningsmachine gedemonteerd en een luchtafvoerkanaal van binnen schoongemaakt. De restbesmettingen op de vloer van de Waste-afdeling en het hot-lab lagen onder de vrijgavenorm en werden dus niet verwijderd.

We kunnen een berekening maken voor de maximale stralingsdosis als gevolg van het in het lichaam krijgen van stofdeeltjes van de vloer. De gemiddelde besmetting op de vloer in de Waste-afdeling was 0,0187 Bq/cm2, in het hot-lab was dat 0,020 Bq/cm2. Nemen we de hoogste van de twee (0,02 Bq/cm2) dan zal elke vierkante meter besmet zijn met 200 Bq aan radioactiviteit. De twee ruimtes tezamen hebben een geschat oppervlak van 36 + 24 = 60 vierkante meter. De totale hoeveelheid radioactiviteit op de vloer van beide ruimtes is dus 200 x 60 = 12.000 Beqcuerel.

Afhankelijk van het soort radionuclide kan berekend worden wat de stralingsdosis zal zijn bij opname in het lichaam. De meest waarschijnlijke stoffen die zijn achtergebleven in beide ruimtes zijn tritium (3H) en koolstof-14. Andere kandidaten zijn fosfor-32 en zwavel-35. Deze twee laatste stoffen hebben een korte halfwaardetijd en zullen na januari 1998 bijna geheel vervallen zijn en dus niet meer aanwezig (zie ook de berekening bij het reactorpompgebouw). Tritium en koolstof-14 hebben een halfwaardetijd van respectievelijk 12,4 en 5730 jaar. De effectieve volgdosis na inname in het lichaam van 12.000 Beqcuerel van tritium en koolstof-14 ziet er als volgt uit:
 

ingestie inhalatie
tritium 0,22 microSievert 0,49 microSievert
koolstof-14 6,96 mivroSievert 6,96 microSievert

Dit zijn zeer lage stralinsdoses als men zich realiseert dat de gemiddelde mens in Nederland per jaar 2,1 milliSievert aan natuurlijke straling ontvangt en 0,4 milliSievert uit kunstmatige bronnen (m.n. medische toepassingen)[139]. Een extra dosis van 6,96 microSievert is dan ook maar 0,27% van de gemiddelde jaarlijkse dosis. Daarbij nogmaals de opmerking dat we in de berekening hebben aangenomen dat alle radioactieve deeltjes uit de beide ruimtes in het lichaam zijn terecht gekomen. In werkelijkheid zal dat nooit kunnen gebeuren en zal de stralingsdosis ook veel lager zijn (zie ook de vorige uitleg bij "RCL laboratoria").

Reactorpompgebouw
In het reactorpompgebouw werd kortlevend licht radioactief afval opgeslagen om te vervallen tot niet-radioactief afval. Bij de controle in januari 1998 werd een gemiddelde vloerbesmetting gevonden van 0,01 Bq/cm2. Het zou gaan om de stoffen fosfor-32 en zwavel-35. Dat is 100 Beqcuerel per vierkante meter. Nemen we een totaal vloeroppervlak van 35 m2 dan zou de totale hoeveelheid radioactiviteit 3500 Beqcuerel zijn. Fosfor-32 heeft een halfwaardetijd van 14 dagen en zou dus al geruime tijd verdwenen zijn. Zwavel-35 heeft een halfwaardetijd van 87 dagen. Van januari 1998 tot de kraak in augustus 2001 zijn er 14 halfwaardetijd-periodes voorbij gegaan. Van zwavel-35 is dan nog maar 1/16384 deel overgebleven (1/142). Dat zou nog maar 0,21 Beqcuerel zijn op het totale vloeroppervlak. Blootstelling aan straling door inname is dan ook niet reëel.

BARN
De laatste resten van de BARN-reactor werden in 1999 verwijderd (zie paragraaf 2.5). In de bodem werden nog wel sporen gevonden van radioactieve stoffen die afkomstig waren van de sloop van de reactor: cobalt-57, europium-155, europium-152, cesium-137 en cobalt-60. In het bodemonderzoek van de Nuclear Research & consultancy Group (NRG)[140] werd op basis van de gevonden concentraties in de bodem berekend hoeveel straling iemand zou ontvangen die gedurende één jaar op die plek zou verblijven. De berekende dosis was 3 microSievert. Dit is zeer gering in vergelijking met de normale dosis straling die men gedurende een jaar ontvangt (2,5 milliSievert). En daarbij is dan nog aangenomen dat iemand een jaar lang op die plaats blijft staan. De krakers zullen hooguit een enkele keer over de grond van de ontmantelde reactor hebben gelopen.

PROVO
Toen de PROVO bronnen in 1996 werden verwijderd zijn de bronrekken door middel van veegtesten onderzocht op radioactiviteit en werd een maximale afwrijfbare activiteit van 0,04 Bq/cm2 gevonden (zie paragraaf 2.6). Deze bronrekken bevinden zich ondergronds (Marsh) of op de bodem van het waterbassin (IFFIT). Direct contact met die bronrekken is dan ook niet mogelijk geweest. Het water uit het IFFIT bassin bevatte minder dan 1 Beqcuerel cobalt-60 per liter. In het onwaarschijnlijke scenario dat iemand 1 liter van dat water zou opdrinken, dan zou dat resulteren in een stralingsdosis van slechts 0,0034 microSievert.

Lysimeter
De bovenste 20 centimeter van de grond uit de lysimeter-bakken bevatte een lichte activiteit (maximaal 20Bq/g). Deze grond is in 1991 verwijderd en afgevoerd naar een stortplaats (zie paragraaf 2.7). Een aantal van de lysimeterbakken was bij de kraak nog aanwezig op het terrein maar de krakers zijn verder niet in contact geweest met die bakken.

Cesiumbron
De op 13/14 oktober 2001 gevonden cesiumbron is het enige voorwerp wat duidelijk verhoogde straling afgaf (zie paragraaf 3.3). Direct aan het oppervlak werd een stralingsdosis van 1,0 microSievert per uur gemeten. Op 1 meter afstand is de dosis niet meer meetbaar. Dus alleen als er sprake is van direct contact met de bron kan er extra straling zijn ontvangen. Toen de bron door de krakers werd gevonden is die direct opgeslagen in een krat tezamen met andere gevonden chemische stoffen in een oude koelcel. Nadat Laka op 15 oktober metingen had verricht is de bron in dezelfde krat achter de stalen deur van de IFFIT ruimte geplaatst. Dit om ook te voorkomen dat onbekenden (het terrein werd ook door anderen dan de krakers bezocht) de bron zouden vinden en meenemen als souvenir. Nemen we aan dat iemand maximaal 1 uur in direct contact met de bron is geweest, dan zal de ontvangen dosis 1 microSievert zijn. Dat is 0,04% van de jaarlijkse gemiddelde dosis (2,5 milliSievert).

Conclusie
Concluderend kunnen we dus stellen dat de krakers nauwelijks aan verhoogde straling zijn blootgesteld. Alleen de cesiumbron gaf een straling af die duidelijk boven de natuurlijke achtergrond lag. In een aantal gevallen was blootstelling aan radioactieve stoffen onmogelijk of in de praktijk bijna niet mogelijk (RBL, RCL laboratoria, reactorpompgebouw, BARN-lokatie, PROVO, lysimeterbakken). Een berekening van de maximale dosis ten gevolge van inname van radioactieve stoffen uit de Waste-afdeling en hot-lab laat ook zien dat de uiteindelijke stralingsdosis klein is.

Toch was het advies om bepaalde ruimtes niet te gebruiken noodzakelijk. Bij de kraak was immers geen enkele informatie beschikbaar over achtergebleven besmettingen en soorten radioactieve stoffen. Pas nadat de rapporten uit de WOB-procedure beschikbaar kwamen ontstond er meer duidelijkheid.

Daarnaast is het zo dat elke extra hoeveelheid straling, hoe klein die ook is, leidt tot een extra gezondheidsrisico. In de kernenergiewereld wordt dan ook gebruik gemaakt van het "As Low As Reasonable Achievable" (ALARA) principe. In de praktijk komt dit neer op het principe de blootstelling aan straling zo laag mogelijk te houden maar daarbij wel mee te wegen hoeveel extra middelen of geld dat kost. In het geval van het ITAL was het dus relatief simpel bepaalde ruimtes aan te wijzen en te adviseren daar geen gebruik van te maken. Daarbij was het gebruik van het RCL-gebouw (incl. Waste-afdeling en hot-lab) al erg onaantrekkelijk vanwege de aanwezige rotzooi en het besef dat in de laboratoria ook gewerkt was met gevaarlijke chemicaliën.

"Reasonable" is overigens wel een begrip wat relatief is. Een werknemer in een kerncentrale zal het natuurlijk "reasonable" vinden dat zijn centrale radioactieve stoffen uitstoot en daarmee een extra stralingsbelasting wordt veroorzaakt. Een anti-kernenergie actiegroep zal het daarentegen "reasonable" vinden dat een centrale dicht gaat en er geen verdere lozingen meer plaatsvinden.
 

3.5 ONTRUIMING

Toen de krakers het ITAL betrokken wisten ze niet dat de sloopplannen voor het complex in een vergevorderd stadium waren. In de begroting van het ministerie stond inmiddels een bedrag van 908.000 gulden gereserveerd voor het jaar 2001[141]. Het ministerie diende op 10 september 2001 een aanvraag voor sloopvergunning in bij de gemeente Wageningen en liet tevens een kort geding procedure starten bij de Arrondissementsrechtbank in Arnhem om ontruiming van het complex te eisen. De zitting vond plaats op 24 oktober en de rechtbank deed op 8 november een voorlopige uitsprak, die inhield dat de krakers konden blijven totdat de sloopvergunning door de gemeente werd afgegeven. Daarna kregen ze nog 10 dagen de tijd om hun bezwaar tegen de sloop bij de rechter in te dienen[142].

Op 13 november gaf de gemeente Wageningen een sloopvergunning af[143], waarna de rechter op 14 december vonnistte dat de krakers het terrein binnen een bepaald periode moesten verlaten[144]. Media januari 2002 is de laatste kraker van het terrein vertrokken.
 



BRONNEN
114- Brief Directeur Materiële Zaken (ministerie van Landbouw) aan BVM/DLO, 5 augustus 1992
115- Gelders Dagblad, 29 augustus 2001
116- Brief Directie Materiële Zaken (ministerie van Landbouw) aan Technische en Fysische Dienst voor de Landbouw te Wageningen, 14 oktober 1992
117- Gelders Dagblad, 5 juni 1993
118- Plan met kosten raming voor het beheer van een gedeelte van het gebouwencomplex op het terrein van het ITAL-DLO, Keijenbergseweg 6 te Wageningen, 1993.TFDL.R.001, 16 maart 1993
119- Plan met kostenraming voor het slopen van het hoofdgebouw ITAL met bijgebouwtjes, gelegen op het terrein aan de Keijenbergseweg 6 te Wageningen, Stichting Technische en Facilitaire Dienst Landbouw, 13 oktober 1994
120- Plan met kostenraming (tweede versie) voor ontmanteling van het ITAL/PROVO-complex (project 12401), ministerie van Landbouw, Facilitaire Dienst, 11 oktober 1996
121- Ontmanteling Biologische Agrarische Reactor Nederland (BARN), Keijenbergseweg 6 te Wageningen, BVM R98-007, BVM-DLO, oktober 1998
122- Controle op radioactieve besmetting ITAL-gebouw, Keyenbergseweg 6 te Wageningen, BVM R98-006, BVM-DLO, juli 1998
123- Wagenings Alumniblad, 24 juni 1999
124- Telefoongesprekken met dhr. W. Koops, Arbo en Milieudienst WUR, 11 september 2001
125- WOB verzoek aan het ministerie van Landbouw, 11 oktober 2001
126- Beslissing op WOB-verzoek stichting Laka van secretaris-generaal T.H.J. Joustra, Ministerie van Landbouw, 15 november 2001
127- Beslissing op WOB-verzoek stichting Laka van minister L.J. Brinkhorst, Ministerie van Landbouw, 25 januari 2002
128- Radioactieve bron ITAL-terrein, stichting Laka, 15 oktober 2001
129- NVS nieuws, december 2001, p. 6-11
130- Radioactieve bron ITAL-terrein, stichting Laka, 15 oktober 2001
131- Dit is lager dan de waarde die met de RDS-110 werd gemeten. Dit kan verklaard worden door het feit dat de hoeveelheid straling in het allerlaagste bereik van de RDS-110 meter ligt en deze in dat bereik onnauwkeurig is.
132- Telefoongesprek met W. Koops, stralingsdeskundige BVM-DLO, 12 december 2001
133- Gelders Dagblad, 12 februari 2001
134- Telefoongesprek met P. Arends, Inspectie Milieugygiëne, 12 december 2001
135- Telefoongesprek met P. Arends, Inspectie Milieuhygiëne, 22 februari 2002
136- Gelders Dagblad, 17 oktober 2001
137- Gelders Dagblad, 17 oktober 2001
138- Handboek Radionucliden, A.S. Keverling Buisman, 1996
139- "Straling, hoe zit dat nou?", A.S. Keverling Buisman en J. Heijn, ECN, december 1992
140- Resultaten van de radioactiviteitsmetingen aan grondmonsters uit de bodem van de voormalige ITAL-reactor te Wageningen, P20112.15/99.55439/C RE-MR/vLo, NRG Petten, 1 september 1999
141- Begroting ministerie van Landbouw 2002, september 2001
142- Vonnis in kort geding, Arrondissementsrechtbank te Arnhem, 8 november 2001
143- http://www.wageningen.nl
144- Vonnis in kort geding, Arrondissementsrechtbank te Arnhem, 14 december 2001