3.1 NIEUWE HUURDER?
Leegstand
Nadat het ITAL onderzoek in 1988 was beëindigd
deed men nog een poging de gebouwen opnieuw te verhuren. Het ministerie
van Landbouw werd op 28 november 1991[114] de eigenaar
van de gebouwen. Staatsbosbeheer (tegenwoordig Arcadis) was de eigenaar
van de grond, waarbij ITAL en PROVO het terrein in het verleden in erfpacht
hadden[115]. In 1992 besloot het Instituut Bodembiologie
van DLO ook te gaan verhuizen naar het complex aan de Bornsesteeg. Daarmee
zou het ITAL hoofdgebouw (kantoor, RBL en RCL) voor het grootste gedeelte
(excl. gebruik door BVM) leeg komen.
Gedeeltelijke sloop en conservering
Er werden in 1992 plannen gemaakt om de panden
geschikt te maken voor een nieuwe huurder. Er werd besloten de kassen bij
het RBL te slopen evenals de bovengrondse delen van de lysimeter en er
werd een kostenraming gemaakt voor de sloop van het RBL zelf. Het kantoorgebouw
en de RCL-vleugel konden dan opnieuw worden verhuurd indien de Waste-afdeling
zou verhuizen naar het BARN-gebouw[116]. De op het
terrein aanwezige BARN-reactor werd door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek
(DLO) wel omschreven als "lastig" maar bleek geen struikelblok te zijn
voor potentiële kopers. De grootte van het complex en het ontbreken
van een goed openbaar vervoer netwerk bleek een groter punt[117].
Er werd een begroting gemaakt hoe men de gebouwen van 1993 tot en met 1995
met minimale kosten zou kunnen conserveren. Men kwam uit op een totaalbedrag
van 445.000 gulden (incl. permanente wekelijkse controlerondes voor een
totaalbedrag van 50.000 gulden). Dat bedrag zou worden besteed aan schilderwerk,
betonreparaties, beglazing, gevels, het dichttimmeren van het RBL en het
slopen van de kassen[118].
Conserveringskosten te hoog
Omdat de geschatte kosten voor het conserveren
van het hoofdgebouw wel erg hoog waren werd in 1994 ook een begroting gemaakt
voor de totale sloop van het hoofdgebouw. Daarbij zou de Waste-afdeling
verhuizen naar het PROVO-gebouw en de BARN-reactor blijven staan. De totale
kosten daarvan werden geschat op 1,34 miljoen gulden[119].
Omdat een potentiële huurder uitbleef werd er uiteindelijk verder
gewerkt aan de sloop. In 1996 was het duidelijk dat men de ontmanteling
van de BARN technisch aankon en de radioactiviteit voldoende was vervallen
(daarvóór hield men nog rekening met een wachttijd van 50
jaar). In totaal werd 2,2 miljoen gulden begroot (incl. 200.000 voor de
BARN en 150.000 voor PROVO) voor de totale sloop en het kaal opleveren
van het terrein. De sloop zou dan in oktober 1997 kunnen worden afgerond[120].
Sloop 4 jaar vertraagd
Zo snel is het uiteindelijk niet gegaan. De
ontmanteling van de radioactieve onderdelen van de BARN werd in 1996/1997
uitgevoerd[121] en in december 1997/januari 1998
werden de ruimtes van BVM schoongemaakt[122]. De
laatste delen van het reactorgebouw werden in de zomer van 1999 gesloopt[123].
Daarna kwam het hele complex leeg te staan. Pas twee jaar later, toen de
krakers zich in de gebouwen huisvesten, leek men weer serieus werk te maken
van de sloopplannen.
Straling?
Op maandag 27 augustus 2001 betrok een groep
van 5 krakers de gebouwen. Een paar weken voordat het complex gekraakt
werd namen de krakers contact op met de stichting Laka. De naam "Instituut
voor Toepassing van Atoomenergie in de Landbouw" leidde bij hen tot de
conclusie dat daar gewerkt was met radioactieve stoffen. Ook was hen bekend
dat er op het complex een kernreactor had gestaan. Een eerste onderzoek
in het documentatiecentrum gaf meer inzicht in de werkzaamheden in de diverse
gebouwen. Twee weken voorafgaand aan de kraak werd door Laka en de toekomstige
bewoners het terrein en de gebouwen bezocht en werden stralingsmetingen
verricht.
Metingen
Er werden metingen verricht in diverse laboratoriumruimtes
in het RCL, in de Waste-afdeling, in het RBL, in het PROVO-gebouw en op
de lokatie van de voormalige BARN-reactor. De metingen werden gedaan met
een "RDS-110" dosismeter. De gemeten waardes varieerden zowel binnen als
buiten tussen de 0,05 en 0,11 microSievert per uur. Dit zijn normale waardes
voor de natuurlijke achtergrond. In de ruimtes waar eventuele restbesmettingen
aanwezig zouden kunnen zijn (Waste-afdeling en hot-lab) werden geen hogere
waardes gevonden.
Het was echter wel zichtbaar dat er schoonmaakwerkzaamheden
hadden plaatsgevonden. Zo waren in de Waste-afdeling onderdelen verwijderd
en luchtafvoerkanalen voorzien van stickers met de aanduiding "radioactiviteit".
In ruimte C008 (zie paragraaf 2.3) bleek het luchtafvoerkanaal tot aan
de zolder te zijn uitgebroken.
Zichtbare decontaminatiewerkzaamheden en niet verhoogde stralingswaardes gaven echter nog geen 100% garantie dat alles schoon zou zijn. Er zou immers sprake kunnen zijn van achtergebleven lichte besmettingen die geen meetbare verhoging ten opzichte van de natuurlijke achtergrondstraling zouden veroorzaken. Na het bezoek en ook uit beschikbare documenten was het al wel duidelijk geworden in welke ruimtes van het ITAL met radioactieve stoffen of bronnen was gewerkt. Daarbij waren het RCL, het hot-lab en de Waste-afdeling de meest verdachte lokaties, met name omdat daar met open radioactieve bronnen was gewerkt.
Advies aan bewoners
Laka gaf dan ook het advies aan de toekomstige
bewoners om het RCL, de Waste-afdeling en het hot-lab te mijden en geen
onderdelen of achtergelaten gereedschap mee te nemen uit die ruimtes. Gezien
de gebruikshistorie konden het hoofdgebouw en RBL zonder problemen worden
bewoond. Ook het PROVO-gebouw werd door Laka bewoonbaar geacht, mits men
voor de zekerheid de bronruimtes zou vermijden. Daarnaast werd aan de krakers
meegedeeld dat ze voorzichtig moesten zijn bij het aantreffen van "verdachte
voorwerpen", met name wat betreft oud laboratoriummateriaal.
Weigeren informatie
Om meer duidelijkheid te krijgen over het
werken met radioactieve stoffen en de uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden
werd contact gezocht met het ministerie van Landbouw en de Arbo en Milieudienst
van de universiteit. Op dinsdag 11 september 2001 (i.v.m. vakanties betrokkenen
kon dit niet eerder) heeft Laka contact opgenomen met dhr. A.C. van Wijngaarden
van het ministerie van Landbouw in Wageningen en met dhr. W. Koops van
de Arbo en Milieudienst van WUR. Dhr. Koops kon melden dat alle gebouwen
waren vrijgegeven en er dus geen besmettingen (lees: boven de normen) meer
aanwezig waren. In eerste instantie bleek hij bereid op zoek te gaan naar
rapporten over de schoonmaak en die aan Laka te sturen. Nadat hij echter
contact had gehad met dhr. van Wijngaarden moest hij meedelen dat dat niet
werd toegestaan door het ministerie en dat hij verder geen vragen meer
mocht beantwoorden[124].
Wet Openbaarheid Bestuur
Om alsnog de rapporten over de schoonmaak
te kunnen inzien maakte Laka gebruik van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB).
In een WOB procedure kunnen documenten worden opgevraagd die bij een bepaald
"bestuursorgaan" aanwezig zijn. Laka "WOBte" het ministerie van Landbouw
en vroeg om alle documenten die aanwezig waren over schoonmaakwerkzaamheden
in de ITAL- en PROVO-gebouwen[125]. Op 15 november
2001 beantwoorde het ministerie het WOB verzoek door een aantal relevante
documenten over de schoonmaak van het RCL en de afbraak van de BARN-reactor
toe te sturen[126]. Op 25 januari 2002 werd dat
nog aangevuld met rapporten over de lysimeter en de PROVO bronnen[127].
Vaten
Op de dag dat het complex gekraakt werd werden
er in de kelder van het reactorpompgebouw een aantal vaten gevonden met
stralingssymbolen (stickers). Metingen aan het oppervlak van de vaten lieten
geen verhoogde straling zien. Toch was het niet duidelijk waar deze vaten
voor gebruikt waren. Wellicht waren ze in het verleden gebruikt voor opslag
van radioactief afval en bevatten ze nog kleine resten radioactief materiaal.
De vondst van de vaten benadrukte nogmaals het belang voorzichtigheid in
acht te nemen bij het aantreffen van andere onduidelijke voorwerpen op
het terrein.
Radioactieve bron gevonden
In het weekeinde van 13/14 oktober 2001 meldden
de krakers aan Laka dat ze een drietal voorwerpen met een waarschuwingsopschrift
hadden gevonden. Een potje bevatte een paarsige vloeistof en was voorzien
van een sticker met als opschrift "radioactief", een tweede potje was leeg
en een derde voorwerp betrof een plastic houder met daarin gemonteerd een
metalen schijfje. Dit voorwerp was voorzien van een radioactiviteitsteken
en de aanduiding "radio active material". De voorwerpen werden gevonden
tussen vuilnisresten in een toiletruimte van het PROVO-gebouw. Uit metingen
door Laka bleek dat het metalen plaatje een radioactieve stof bevatte.
Met de dosismeter werd direct aan het oppervlak een stralingswaarde tussen
de 2 en 3 microSievert gemeten. Op enkele decimeters afstand was de straling
van de bron niet meer meetbaar[128].

Inspectie Milieuhygiëne ingelicht
Laka besloot daarop de vondst op 15
oktober te melden aan de Inspectie Milieuhygiëne te Rijswijk. Deze
Inspectie is verantwoordelijk voor het afhandelen van incidenten met radioactieve
stoffen in Nederland. De dienst is 24-uur per dag bereikbaar en kan op
haar beurt weer andere instanties inschakelen. Van het aantal incidenten
wat wordt aangemeld betreft het grootste deel het aantreffen van radioactief
besmet metaalschroot bij metaalverwerkingsbedrijven[129].
In de Kernenergiewet, artikel 29.1,
is geregeld dat men voor het "ontdoen" van radioactieve stoffen een vergunning
moet hebben. Het achterlaten van radioactieve stoffen tussen vuilnisresten
is dus niet toegestaan. Tevens is in artikel 33.1 voorgeschreven dat men
bij de vondst van radioactieve stoffen aangifte dient te doen bij de burgemeester.
De krakers hebben dat gedaan door contact op te nemen met de Wageningse
wethouder voor Ruimtelijke Ordening, die dezelfde middag een bezoek aan
het ITAL bracht[130]. Laka lichtte dhr. P. Arends van
de Inspectie in, die daarop formeel beslag legde op de bron. Daarnaast
werd dhr. W. Koops, stralingsdeskundige van de Arbo en Milieudienst van
WUR ingelicht over de vondst. Beiden bezochten de volgende dag het ITAL
om de bron nader te onderzoeken. Met een geavanceerde dosismeter werd geconstateerd
dat het metalen plaatje de stof cesium-137 bevatte en dat de dosis aan
het oppervlak 1,0 microSievert per uur bedroeg (inclusief de natuurlijke
achtergrondstraling van 0,07 microSievert per uur)[131].
De andere potjes lieten geen verhoging zien. Ook de vaten in het reactorpompgebouw
vertoonden geen verhoogde straling. De twee potjes en het bronnetje zijn
door de Inspectie naar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
(RIVM) gestuurd voor verder onderzoek.
Het is onduidelijk waarom het bronnetje was achtergelaten tussen vuilnis in het PROVO-gebouw. Volgens dhr. Koops was de bron waarschijnlijk afkomstig van het RIKILT instituut wat gebruik maakte van het PROVO-gebouw. Dat instituut deed onder andere onderzoek naar radioactiviteit in voedsel. Dit soort bronnetjes zou gebruikt worden om meetapparatuur te ijken. Het Buro Veiligheid en Milieu van DLO hield wel een administratie bij van alle bronnen in Wageningse instituten maar er werd tot nu toe nooit een bron vermist[132]. Er is dus een mogelijkheid dat er nog meer bronnetjes waren achtergelaten en in de afgelopen jaren door mensen zijn meegenomen als "souvenir". Voordat het PROVO-gebouw door de krakers weer in gebruik werd genomen werd het ook regelmatig bezocht door een groepje jongeren als hangplaats. En op 11 februari 2001 werd door de politie een einde gemaakt aan een illegale houseparty in het gebouw waarbij 250 bezoekers aanwezig waren[133].
Onderzoek RIVM en normen
Uit het onderzoek van het RIVM bleek
de radioactieve bron 11.200 Bq cesium-137 te bevatten. Het bronnetje werd
na het onderzoek afgevoerd naar de COVRA. De andere potjes bevatten geen
enkele activiteit. Op dit moment worden nieuwe vergunningsnormen vastgelegd,
waarbij de vrijstellingswaarde voor cesium-137 uitkomt op 10.000 Bq. Boven
die waarde moet men vergunning hebben voor het voorhanden hebben van een
cesiumbron. De nieuwe normen zijn inmiddels gepubliceerd in het Staatsblad
van 29 januari 2002 en worden per 1 maart 2002 van kracht. Omdat de nieuwe
normen op 15 oktober 2001 nog niet van kracht waren is bij het achterlaten
van de cesiumbron op het ITAL terrein geen sprake van een overtreding in
de zin van artikel 29.1 van de Kernenergiewet. Volgens de oude normering
zou voor een dergelijke bron een maximale activiteit van 500.000 Bq mogen
bevatten voordat het onder de Kernenergiewet valt.
Stralingsstickers
Het is overigens niet toegestaan stralingssymbolen
achter te laten op voorwerpen die geen activiteit meer bevatten. Een heldere
labelling
van radioactieve stoffen bevattende voorwerpen en het
ont-labellen
van voorwerpen waarin geen radioactieve stof meer aanwezig zijn moet verwarring
en vergissingen voorkomen. De Inspectie heeft WUR daarom de opdracht gegeven
om op het ITAL-complex deze stickers te gaan verwijderen (van de genoemde
vaten en van enkele onderdelen in de Waste-afdeling)[134].
De universiteit is voordat de sloop begon op het terrein geweest om de
stickers te verwijderen. Aan de sloper werd tevens een inzamelbox beschikbaar
gesteld voor eventuele nog aan te treffen verdachte voorwerpen[135].
Meer duidelijkheid gewenst
Het onbeheerd achterlaten van de radioactieve
cesiumbron riep nogmaals de vraag op hoe de schoonmaak van de gebouwen
verder is verlopen. Een van de krakers zei daarover tegen het Gelders
Dagblad: "Ik woon hier, daarom wil ik graag weten wat er hier aan de
hand is en wat hier gebeurd is. Als je opeens niet iets mag inzien, dan
is er voor mijn gevoel veel meer aan de hand, misschien wel reden tot onrust"[136].
Open communicatie en inzage in de rapporten had veel van die onrust kunnen
wegnemen. Het ministerie echter bleef op haar standpunt staan dat de rapporten
niet openbaar waren en gaf een wel erg vreemd antwoord aan een journalist
van het Gelders Dagblad: "Het is er schoon. Deze bron kunnen die krakers
er wel zelf hebben neergelegd. […] Ik zie geen enkele reden om het onderzoeksrapport
inzichtelijk te maken voor de pers, de bewoners of het Laka"[137].
Rapporten
Uit de WOB-procedure kwamen een aantal
rapporten beschikbaar die meer duidelijkheid gaven over de besmettingen
in ITAL- en PROVO-gebouwen. De belangrijkste daarvan zijn:
- Controle op radioactieve besmetting ruimten
in het ITAL-gebouw met een radiologische gebruikshistorie (1994) over
schoonmaakwerkzaamheden in het RCL.
- Controle op radioactieve besmetting ITAL-gebouw,
Keyenbergseweg 6 te Wageningen (1998) over schoonmaakwerkzaamheden
in de Waste-afdeling, het hot-lab en het reactorpompgebouw
- Ontmanteling Biologische Agrarische Reactor
Nederland (BARN), Keijenbergseweg 6 te Wageningen (1998) over de eerste
ontmantelingsfases van de BARN-reactor
- Sloop BARN-gebouw, afvoer radioactiviteit
en eindcontrole met betrekking tot radioactiviteit (1999) over de laatste
ontmantelingsfase van de BARN-reactor
-Afvoer van cobalt bronstaven uit het Proefbedrijf
voor Voedselbestraling (PROVO) te Wageningen en controle op radioactieve
contaminatie (1996), over het ontladen van de cobaltbronnen bij PROVO.
- Verwijdering van verontreinigde grond
uit "Lysimeteropstelling" (1991) over de afvoer van radioactief besmette
grond uit de lysimeter
In hoodstuk 2 zijn de uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden beschreven en is ook aangegeven wat er aan mogelijke restbesmettingen is achtergebleven omdat die volgens de gehanteerde vrijgavenormen niet verwijderd hoefden te worden. Na bestudering van deze rapporten kon er een betere uitleg worden gegeven aan de krakers over radioactieve restbesmettingen in de gebouwen. De bewoners hadden tot dan toe tijdelijk gebruik gemaakt van een ruimte in het RBL en hadden later een gemeenschappelijke ruimte ingericht in de oude kantine van het hoofdgebouw. Eén bewoner woonde in een kantoorruimte van de PROVO, de rest in caravans op het terrein.
Berekeningen stralingsdosis
De potentiële blootstelling aan radioactieve
restbesmettingen kan per ruimte worden bekeken en zal eventueel worden
aangevuld met een berekening. Hierbij moet worden aangemerkt dat in een
aantal gevallen een nogal extreem blootstellingsscenario wordt aangenomen.
Denk dan bijvoorbeeld aan het inhaleren van de totale hoeveelheid stof
die zich op een bepaald vloeroppervlak bevindt. Een onrealistisch scenario
wat echter wel laat zien wat in het meest extreme geval de ontvangen stralingsdosis
zou zijn. In werkelijkheid zal de blootstelling natuurlijk vele malen lager
liggen. Bij de berekeningen is gebruik gemaakt van het Handboek Radionucliden,
geschreven door A.S. Keverling Buisman, stralingsdeskundige van het ECN
in Petten[138].
RBL (Caesar en Cecile)
De cesiumbronnen Caesar en Cecile werden al
in 1982 afgevoerd naar Frankrijk (zie paragraaf 1.1). De plaats van de
Caesar bronhouder werd vervolgens met triplex platen afgetimmerd. De kas
waar Cecile zich bevond is een aantal jaren geleden gesloopt. Na het verwijderen
van de bronnen is er gecontroleerd op eventuele achtergebleven besmettingen.
Aangezien de Caesar ruimte een dichte en onverlicht bunker was is daar
door de krakers verder geen gebruik van gemaakt. Van blootstelling aan
straling is dan ook geen sprake.
RCL laboratoria
In diverse RCL ruimtes is gewerkt met radioactieve
stoffen. Uit het rapport uit 1994 blijkt wel dat er nog restbesmettingen
aanwezig waren na de schoonmaak (zie paragraaf 2.3). In de ruimtes C008
en C009 werden een aantal onderdelen verwijderd. In de andere ruimtes bleek
slechts sprake van kleine restbesmettingen, die onder de vrijgavenorm lagen.
Het betrof met name de stoffen tritium (3H) en koolstof-14,
beiden zwakke beta-stralers. Bij de stralingsmetingen door Laka zijn de
ruimtes ook betreden. De stralingsmeter gaf geen verhoogde waardes aan
dus was er geen sprake van blootstelling aan directe straling van restbesmettingen.
Er is een scenario denkbaar dat via direct contact een restbesmetting in het lichaam wordt opgenomen, door het inslikken (ingestie) of inademen (inhalatie) van besmette stofdeeltjes. Wat betreft de laboratoriumruimtes in het RCL is dit scenario niet erg waarschijnlijk. Voor het inslikken of inademen van een besmetting bij een kort bezoek in een besmette ruimte moeten de radioactieve deeltjes wel makkelijk verspreidbaar zijn, bijvoorbeeld door opdwarrelen van stofdeeltjes. Dit is niet echt aannemelijk. Na het buiten gebruik nemen van de laboratoria zijn de ruimtes gereinigd door te dweilen (wat overigens daarvóór natuurlijk ook regelmatig gebeurde). Bij het controleren op radioactiviteit is met een in alcohol gedrenkt wattenstaafje over de vloer geveegd/gepoetst. Het dweilen en het gebruik van het oplosmiddel alcohol geeft al aan dat de radioactieve restbesmettingen niet echt mobiel zijn maar eerder vast zitten aan de vloer. In de volgende alinea over de Waste-afdeling en het hot-lab wordt wel een berekening gemaakt.
Waste-afdeling en hot-lab
De Waste-afdeling en het hot-lab werden
in december 1997 en januari 1998 schoongemaakt en gecontroleerd op achtergebleven
besmettingen. Sediment uit de afvalwatertanks bleek een besmetting boven
de vrijgavenormen te bevatten. Daarnaast werd een afvalverkleiningsmachine
gedemonteerd en een luchtafvoerkanaal van binnen schoongemaakt. De restbesmettingen
op de vloer van de Waste-afdeling en het hot-lab lagen onder de vrijgavenorm
en werden dus niet verwijderd.
We kunnen een berekening maken voor de maximale stralingsdosis als gevolg van het in het lichaam krijgen van stofdeeltjes van de vloer. De gemiddelde besmetting op de vloer in de Waste-afdeling was 0,0187 Bq/cm2, in het hot-lab was dat 0,020 Bq/cm2. Nemen we de hoogste van de twee (0,02 Bq/cm2) dan zal elke vierkante meter besmet zijn met 200 Bq aan radioactiviteit. De twee ruimtes tezamen hebben een geschat oppervlak van 36 + 24 = 60 vierkante meter. De totale hoeveelheid radioactiviteit op de vloer van beide ruimtes is dus 200 x 60 = 12.000 Beqcuerel.
Afhankelijk van het soort radionuclide kan
berekend worden wat de stralingsdosis zal zijn bij opname in het lichaam.
De meest waarschijnlijke stoffen die zijn achtergebleven in beide ruimtes
zijn tritium (3H) en koolstof-14. Andere kandidaten zijn fosfor-32
en zwavel-35. Deze twee laatste stoffen hebben een korte halfwaardetijd
en zullen na januari 1998 bijna geheel vervallen zijn en dus niet meer
aanwezig (zie ook de berekening bij het reactorpompgebouw). Tritium en
koolstof-14 hebben een halfwaardetijd van respectievelijk 12,4 en 5730
jaar. De effectieve volgdosis na inname in het lichaam van 12.000 Beqcuerel
van tritium en koolstof-14 ziet er als volgt uit:
| ingestie | inhalatie | |
| tritium | 0,22 microSievert | 0,49 microSievert |
| koolstof-14 | 6,96 mivroSievert | 6,96 microSievert |
Dit zijn zeer lage stralinsdoses als men zich realiseert dat de gemiddelde mens in Nederland per jaar 2,1 milliSievert aan natuurlijke straling ontvangt en 0,4 milliSievert uit kunstmatige bronnen (m.n. medische toepassingen)[139]. Een extra dosis van 6,96 microSievert is dan ook maar 0,27% van de gemiddelde jaarlijkse dosis. Daarbij nogmaals de opmerking dat we in de berekening hebben aangenomen dat alle radioactieve deeltjes uit de beide ruimtes in het lichaam zijn terecht gekomen. In werkelijkheid zal dat nooit kunnen gebeuren en zal de stralingsdosis ook veel lager zijn (zie ook de vorige uitleg bij "RCL laboratoria").
Reactorpompgebouw
In het reactorpompgebouw werd kortlevend licht
radioactief afval opgeslagen om te vervallen tot niet-radioactief afval.
Bij de controle in januari 1998 werd een gemiddelde vloerbesmetting gevonden
van 0,01 Bq/cm2. Het zou gaan om de stoffen fosfor-32 en zwavel-35.
Dat is 100 Beqcuerel per vierkante meter. Nemen we een totaal vloeroppervlak
van 35 m2 dan zou de totale hoeveelheid radioactiviteit 3500
Beqcuerel zijn. Fosfor-32 heeft een halfwaardetijd van 14 dagen en zou
dus al geruime tijd verdwenen zijn. Zwavel-35 heeft een halfwaardetijd
van 87 dagen. Van januari 1998 tot de kraak in augustus 2001 zijn er 14
halfwaardetijd-periodes voorbij gegaan. Van zwavel-35 is dan nog maar 1/16384
deel overgebleven (1/142). Dat zou nog maar 0,21 Beqcuerel zijn
op het totale vloeroppervlak. Blootstelling aan straling door inname is
dan ook niet reëel.
BARN
De laatste resten van de BARN-reactor werden
in 1999 verwijderd (zie paragraaf 2.5). In de bodem werden nog wel sporen
gevonden van radioactieve stoffen die afkomstig waren van de sloop van
de reactor: cobalt-57, europium-155, europium-152, cesium-137 en cobalt-60.
In het bodemonderzoek van de Nuclear Research & consultancy Group (NRG)[140]
werd op basis van de gevonden concentraties in de bodem berekend hoeveel
straling iemand zou ontvangen die gedurende één jaar op die
plek zou verblijven. De berekende dosis was 3 microSievert. Dit is zeer
gering in vergelijking met de normale dosis straling die men gedurende
een jaar ontvangt (2,5 milliSievert). En daarbij is dan nog aangenomen
dat iemand een jaar lang op die plaats blijft staan. De krakers zullen
hooguit een enkele keer over de grond van de ontmantelde reactor hebben
gelopen.
PROVO
Toen de PROVO bronnen in 1996 werden verwijderd
zijn de bronrekken door middel van veegtesten onderzocht op radioactiviteit
en werd een maximale afwrijfbare activiteit van 0,04 Bq/cm2
gevonden (zie paragraaf 2.6). Deze bronrekken bevinden zich ondergronds
(Marsh) of op de bodem van het waterbassin (IFFIT). Direct contact met
die bronrekken is dan ook niet mogelijk geweest. Het water uit het IFFIT
bassin bevatte minder dan 1 Beqcuerel cobalt-60 per liter. In het onwaarschijnlijke
scenario dat iemand 1 liter van dat water zou opdrinken, dan zou dat resulteren
in een stralingsdosis van slechts 0,0034 microSievert.
Lysimeter
De bovenste 20 centimeter van de grond uit
de lysimeter-bakken bevatte een lichte activiteit (maximaal 20Bq/g). Deze
grond is in 1991 verwijderd en afgevoerd naar een stortplaats (zie paragraaf
2.7). Een aantal van de lysimeterbakken was bij de kraak nog aanwezig op
het terrein maar de krakers zijn verder niet in contact geweest met die
bakken.
Cesiumbron
De op 13/14 oktober 2001 gevonden cesiumbron
is het enige voorwerp wat duidelijk verhoogde straling afgaf (zie paragraaf
3.3). Direct aan het oppervlak werd een stralingsdosis van 1,0 microSievert
per uur gemeten. Op 1 meter afstand is de dosis niet meer meetbaar. Dus
alleen
als er sprake is van direct contact met de bron kan er extra straling zijn
ontvangen. Toen de bron door de krakers werd gevonden is die direct opgeslagen
in een krat tezamen met andere gevonden chemische stoffen in een oude koelcel.
Nadat Laka op 15 oktober metingen had verricht is de bron in dezelfde krat
achter de stalen deur van de IFFIT ruimte geplaatst. Dit om ook te voorkomen
dat onbekenden (het terrein werd ook door anderen dan de krakers bezocht)
de bron zouden vinden en meenemen als souvenir. Nemen we aan dat iemand
maximaal 1 uur in direct contact met de bron is geweest, dan zal de ontvangen
dosis 1 microSievert zijn. Dat is 0,04% van de jaarlijkse gemiddelde dosis
(2,5 milliSievert).
Conclusie
Concluderend kunnen we dus stellen dat de
krakers nauwelijks aan verhoogde straling zijn blootgesteld. Alleen de
cesiumbron gaf een straling af die duidelijk boven de natuurlijke achtergrond
lag. In een aantal gevallen was blootstelling aan radioactieve stoffen
onmogelijk of in de praktijk bijna niet mogelijk (RBL, RCL laboratoria,
reactorpompgebouw, BARN-lokatie, PROVO, lysimeterbakken). Een berekening
van de maximale dosis ten gevolge van inname van radioactieve stoffen uit
de Waste-afdeling en hot-lab laat ook zien dat de uiteindelijke stralingsdosis
klein is.
Toch was het advies om bepaalde ruimtes niet te gebruiken noodzakelijk. Bij de kraak was immers geen enkele informatie beschikbaar over achtergebleven besmettingen en soorten radioactieve stoffen. Pas nadat de rapporten uit de WOB-procedure beschikbaar kwamen ontstond er meer duidelijkheid.
Daarnaast is het zo dat elke extra hoeveelheid straling, hoe klein die ook is, leidt tot een extra gezondheidsrisico. In de kernenergiewereld wordt dan ook gebruik gemaakt van het "As Low As Reasonable Achievable" (ALARA) principe. In de praktijk komt dit neer op het principe de blootstelling aan straling zo laag mogelijk te houden maar daarbij wel mee te wegen hoeveel extra middelen of geld dat kost. In het geval van het ITAL was het dus relatief simpel bepaalde ruimtes aan te wijzen en te adviseren daar geen gebruik van te maken. Daarbij was het gebruik van het RCL-gebouw (incl. Waste-afdeling en hot-lab) al erg onaantrekkelijk vanwege de aanwezige rotzooi en het besef dat in de laboratoria ook gewerkt was met gevaarlijke chemicaliën.
"Reasonable" is overigens wel een begrip wat
relatief is. Een werknemer in een kerncentrale zal het natuurlijk "reasonable"
vinden dat zijn centrale radioactieve stoffen uitstoot en daarmee een extra
stralingsbelasting wordt veroorzaakt. Een anti-kernenergie actiegroep zal
het daarentegen "reasonable" vinden dat een centrale dicht gaat en er geen
verdere lozingen meer plaatsvinden.
Toen de krakers het ITAL betrokken wisten ze niet dat de sloopplannen voor het complex in een vergevorderd stadium waren. In de begroting van het ministerie stond inmiddels een bedrag van 908.000 gulden gereserveerd voor het jaar 2001[141]. Het ministerie diende op 10 september 2001 een aanvraag voor sloopvergunning in bij de gemeente Wageningen en liet tevens een kort geding procedure starten bij de Arrondissementsrechtbank in Arnhem om ontruiming van het complex te eisen. De zitting vond plaats op 24 oktober en de rechtbank deed op 8 november een voorlopige uitsprak, die inhield dat de krakers konden blijven totdat de sloopvergunning door de gemeente werd afgegeven. Daarna kregen ze nog 10 dagen de tijd om hun bezwaar tegen de sloop bij de rechter in te dienen[142].
Op 13 november gaf de gemeente Wageningen een
sloopvergunning af[143], waarna de rechter op 14 december
vonnistte dat de krakers het terrein binnen een bepaald periode moesten
verlaten[144]. Media januari 2002 is de laatste kraker
van het terrein vertrokken.