STRALINGSEXPERIMENTEN
KONINKLIJKE MARINE 1960-1966
 

Geschiedenis, stralingsdosis en normen











Casusonderzoek “dhr. J.H. Meijer”
In opdracht van Böhler Franken Koppe De Feijter advocaten

Stichting Laka
Robert Jan van den Berg
April 2003 (vrijgegeven nov. 2005)

Foto voorkant: experiment op de Hr.Ms. “Venlo”. Vooraan staan een
drietal stralingsmeters en tussen de gehurkte mannen zijn de slangen te
zien waardoor een stralingsbron werd rondgepompt. Dhr. J.H.Meijer
staat op deze foto tweede van rechts.
 
 

 



1. INLEIDING

Tussen 1960 en 1966 zijn er op een aantal schepen van de Koninklijke Marine experimenten uitgevoerd met stralingsbronnen. Bij deze testen werden met behulp van radioactieve bronnen de omstandigheden van een nucleaire fallout in een atoomoorlog nagebootst en stralingsmetingen in de diverse ruimtes op een schip verricht. In 1998 verschenen een serie artikelen over deze experimenten in het tijdschrift van een vakbond voor militair personeel. Ook in enkele Nederlandse dagbladen werd aandacht aan de zaak besteed. In de publicaties kwamen ex-marinemedewerkers aan het woord en werd een verband gelegd tussen het gebruik van de stralingsbronnen en een aantal kankergevallen onder betrokkenen.

In augustus 2002 werd de stichting Laka benaderd door dr. L. Zegveld van Böhler Franken Koppe De Feijter advocaten met het verzoek een rapport op te stellen over de experimenten van destijds. Mw. Zegveld treedt op als advocaat van mw. Meijer-Timmermans, nabestaande van dhr. J.H. Meijer die als dienstplichtige aanwezig is geweest bij één of meer experimenten op marineschepen. Dhr. Meijer is in 1997 overleden als gevolg van kanker.

De onderzoeksopdracht aan Laka bestond uit de volgende onderdelen:
-het bestuderen van beschikbare documenten en (voor zover mogelijk) reconstrueren van de uitgevoerde experimenten.
-een analyse maken van de stralingsberekeningen die door Defensie zijn beschreven in het rapport Dosisschattingen Personeel KM uit november 1999 . Dit eventueel aangevuld met scenario’s die door Laka worden uitgewerkt.
-het beschrijven van de stralingsnormen die in de periode van de experimenten van kracht waren en vergelijken met de destijds ontvangen stralingsdoses.
-het weergeven van zaken die nu, veertig jaar na dato, niet meer (of moeilijk) te reconstrueren zijn en het opstellen van verdere discussiepunten die voor deze zaak relevant zijn.
-een inschatting geven over de hoeveelheid straling die door dhr. Meijer ontvangen kan zijn en beantwoorden van de vraag of voor zijn geval de destijds geldende normen overschreden werden.
-een kort onderzoek verrichten naar financiële compensatieprogramma’s voor (zieke of overleden) ex-dienstplichtigen en beroepssoldaten in de VS en Engeland die tijdens hun dienst in aanraking zijn geweest met straling.

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van een aantal documenten die door mw. Zegveld en mw. Meijer aan de stichting Laka beschikbaar werden gesteld. Daarnaast heeft Laka een beroep gedaan op de Wet Openbaarheid van Bestuur en het Ministerie van Defensie verzocht om relevante stukken [zie WOB-verzoek; bijlage 1 en WOB-beschikking; bijlage 2]. Dit heeft geresulteerd in de inzage in een aantal documenten uit de archieven van de Koninklijke Marine en het Centraal Archief Depot (CAD) van het ministerie van Defensie. Er werd tevens gebruik gemaakt van gegevens uit het documentatiecentrum van de stichting Laka.

In hoofdstuk 2 (Experimenten en straling) wordt uitleg gegeven over de experimenten die tussen 1960 en 1966 op de schepen plaats vonden. In de beschikbare documenten worden een aantal schepen genoemd die zijn gebruikt voor de experimenten. Er is in dit hoofdstuk tevens geprobeerd te reconstrueren in welke tijdsperiodes de experimenten hebben plaats gevonden. Ook wordt een analyse gemaakt van de stralingsberekeningen die door Defensie zijn uitgevoerd en wordt beschreven welke aannames Defensie in haar berekeningen heeft gedaan. Voor diverse scenario’s van blootstelling wordt weergegeven welke stralingsdosis men daarbij ontvangen kan hebben. De scenario’s die door Defensie zijn opgesteld zijn nog uitgebreid met enkele scenario’s die door Laka zijn uitgewerkt.

In hoofdstuk 3 (Stralingsnormen) wordt uitleg gegeven over de normenstelsels die tijdens de experimenten in Nederland bestonden. Naast de stralingsnormen die specifiek bij Defensie werden gehanteerd worden ook de normen beschreven die voor de Nederlandse burgers en beroepsbevolking van kracht waren. Daarnaast waren er in Europees verband richtlijnen uitgevaardigd voor het werken met straling. De in hoofdstuk 2 berekende stralingsdoses worden vervolgens vergeleken met de toen geldende normen om de vraag te beantwoorden of er bij de experimenten normen werden overschreden.

In hoofdstuk 4 (Discussie) komen een aantal zaken aan de orde die nu, veertig jaar na dato, niet meer (of moeilijk) te reconstrueren zijn, zoals het gebruik van sterkere stralingsbronnen, de registratie van ontvangen doses en onbekende scenario’s. Daarnaast zal ook verder worden ingegaan op stralingsnivo’s en gehanteerde normen.

In hoofdstuk 5 volgt dan de uitwerking naar de zaak van dhr. Meijer. Hoofdstuk 2 t/m 4 behandelen meer algemeen de experimenten, straling en normen. In hoofdstuk 5 komt de vraag aan de orde in hoeverre dhr. Meijer is blootgesteld aan straling en of in zijn geval sprake is van het overschrijden van de normen. Omdat er weinig bekend is over het werk van dhr. Meijer bij de experimenten zal er worden ingegaan op onzekerheden die in zijn zaak een rol spelen.

Bijlage 1 en 2 bevatten het verzoek Wet Openbaarheid van Bestuur van de stichting Laka en de beschikking daarop, zoals die door het ministerie van Defensie is afgegeven.

In bijlage 3 gaan we tenslotte in op financiële compensatieprogramma’s die in de Verenigde Staten en Engeland bestaan voor (zieke of overleden) ex-dienstplichtigen en beroepssoldaten die tijdens hun dienst in aanraking zijn geweest met straling. Nederland kent geen dergelijke schaderegeling voor ex-defensie medewerkers omdat ons land ook niet direct betrokken is geweest bij het testen van kernwapens. Voor dhr. Meijer is de vraag gesteld of hij of zijn nabestaanden in de VS of Engeland in aanmerking waren gekomen voor een dergelijke financiële compensatie.

We hebben zoveel mogelijk geprobeerd de informatie in dit rapport begrijpelijk op te schrijven. Toch kunnen we ons voorstellen dat het vanwege het technische karakter van straling geen eenvoudige stof is. Om dit op te vangen hebben we bijvoorbeeld gebruik gemaakt van tabellen om een en ander overzichtelijk weer te geven.

De experimenten zijn ongeveer 40 jaar geleden uitgevoerd. Hoewel een aantal documenten uit die tijd nog beschikbaar waren is ook veel informatie uit die tijd niet meer terug te vinden. Zo werd bijvoorbeeld alleen van een experiment op de Hr.Ms. “Karel Doorman” een verslag gevonden. Van de experimenten op andere schepen waren geen afzonderlijke verslagen terug te vinden. Een volledige reconstructie van alle experimenten (op alle schepen) en de omstandigheden tijdens de experimenten was dan ook moeilijk te maken. Omdat dhr. Meijer reeds is overleden was het niet mogelijk te achterhalen bij welk soort werkzaamheden hij exact aanwezig is geweest. We zijn in dit rapport wel verder ingaan op de diverse onzekerheden. Voor een goede beantwoording van de onderzoeksopdracht was dit noodzakelijk, hoewel we moeten constateren dat het een ingewikkeld dossier is geworden.

Stichting Laka
Robert Jan van den Berg
Maart 2003
 

het hele rapport (47 pagina's) is in pdf-formaat hier te downloaden