4. SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Het bedrijven van een deeltjesversneller veroorzaakt activering van metalen onderdelen en beton in het gebouw. Dit vanwege 'weglekkende' deeltjes uit de versneller.

Bij de ontmanteling van de deeltjesversneller was het streven van het NIKHEF om zoveel mogelijk onderdelen en metaal te hergebruiken. Daarvoor heeft het NIKHEF internationale normen op dat gebied gehanteerd. Het is echter niet gelukt klanten te vinden die het metaal wilden verwerken. Zodoende is, afgezien van onderdelen die naar Rusland zijn geëxporteerd, het grootste deel gestort. Enkele onderdelen moesten volgens de norm als radioactief afval afgevoerd worden naar de COVRA.

Het overgrote deel van het metaal was ofwel niet radioactief of het kwam onder de norm voor radioactief afval. Ontmanteling en verpakking van de licht radioactieve onderdelen gebeurde in de versnellerbunker. Aangezien het uitsluitend gaat om activeringsproducten (ìn metaal of beton) kan de radioactiviteit zich niet makkelijk verspreiden (behalve als metalen onderdelen kwijt zouden raken). De radioactiviteit zit immers als het ware 'ingepakt' in het metaal en beton. Dit leidt tot de conclusie dat omwonenden geen risico hebben gelopen bij de ontmantelingsoperatie.

Het beton van de bunker kan ook zijn geactiveerd. Onderzoek moet uitwijzen in welke mate zich radioactiviteit in de muren en/of vloeren bevindt. Voor een eventuele vrijgave van het gebouw zal er toestemming moeten komen van de Inspectie Milieuhygiëne. Bij kleine besmettingen in het beton kan toch besloten worden de bunker vrij te geven voor nieuwe huurders, mits aan bepaalde normen voor stralingsbelasting is voldaan. Enerzijds is in dat geval de straling zeer locaal (tot enkele centimeters) en laag. Anderzijds zou men ook kunnen besluiten te streven naar een situatie waar geen enkele besmetting achterblijft. Immers, elke dosis straling, hoe laag ook, vormt een risico voor de nieuwe huurders.

De vondst van de besmette leiding op het voormalige NIKHEF terrein bevestigt de conclusie dat de bodem daar pas schoon kan worden verklaard na een nieuw grondig onderzoek. Het door NIKHEF uitgevoerde bodemonderzoek, met proefboringen en oppervlakte onderzoek naar straling, kon geen radioactieve objecten meer vinden. De vondst van de leiding toont echter aan dat dit ook niet uitgesloten kon en kan worden. De stichting Laka concludeert nogmaals dat alle ondergrondse leidingen, afvaltanks en andere verdachte locaties opgegraven en onderzocht moeten worden op radioactieve besmettingen.