3.1 NORMEN
Als een stof of element radioactief
is is die stof in feite instabiel en zendt het bij radioactief verval deeltjes
uit. Deze uitgezonden deeltjes worden ingedeeld in alfa-straling, beta-straling
en gamma-straling. Deze straling kan bij mensen schade veroorzaken, waarvan
kanker het meest bekende voorbeeld is. Over het algemeen genomen is alfa-straling
de meest schadelijke straling vanwege de grote energieën die het bezit.
Beta-straling is ongeveer een factor 10 minder schadelijk, net als gamma-straling.
Het verval van een radioactieve stof wordt uitgedrukt in Becquerel (Bq).
Een stof met een activiteit van 1 Becquerel zendt per seconde een alfa-
of beta-deeltje uit en meestal ook gamma-straling.
Omdat radioactieve stoffen schadelijk zijn zijn er normen opgesteld voor de omgang met die stoffen. Voor radioactief afval zijn ook normen opgesteld, uitgedrukt in Becquerel radioactiviteit per gram afval. Als een stof boven die norm komt moet het officieel behandeld worden als radioactief afval en afgevoerd worden naar de opslagfaciliteit van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) in Borssele. De norm voor (zuivere) alfa-stralers ligt tegenwoordig op 1 Becquerel per gram, die voor de meeste beta-stralers op 10 Becquerel per gram. Als het gaat om een combinatie van alfa-stralers en de daar uit ontstane (radioactieve) vervalproducten wordt ook een norm van 10 Bq/g gehanteerd. Voor de bodemsanering werd dus gewerkt met de 1 Bq/g norm (alfa) en de 10 Bq/g norm (beta of combinatie alfa/beta). Alle besmettingen boven die norm moesten worden verwijderd en afgevoerd naar de COVRA.
Daarnaast werd het niet officiële
(door het NIKHEF geïntroduceerde) "alles wat tikt gaat weg"
beleid gehanteerd. Dit betekent bijvoorbeeld dat zand met een beta-besmetting
van 2 Bq/g volgens de officiële norm (10Bq/g) zou mogen blijven liggen,
maar door het NIKHEF toch werd afgegraven en afgevoerd.
Omdat er bij de sanering vaak sprake
was van lichte besmettingen zijn de activiteiten vaak uitgedrukt in Becquerel
per kilogram. De norm voor alfa-stralers ligt dan bij 1.000 Bq/kg en voor
beta-stralers op 10.000 Bq/kg.
Erfenis uit verleden
Bij de sloop van het B-gebouw in
1996 bleken een aantal ruimtes besmet te zijn met cesium-137. Deze besmetting
had zich met name geconcentreerd in en rond een voormalig laboratorium
(B026) van Philips-Roxane en was in de vijftiger jaren veroorzaakt. Bij
de sloop werden besmettingen verwijderd van de muren en vloeren evenals
een aantal besmette afvoerleidingen rond de buitenmuur aan de zuidkant
van het gebouw. Bij het bodemonderzoek werden ook verhoogde cesiumconcentraties
gevonden in het zand en werd er grond afgegraven.
In april 2000 werd er door onderzoeksburo Omegam een aantal milieuonderzoeken op het terrein uitgevoerd. Bij een van die onderzoeken werd een afvoerleiding aan de noordkant van het B-gebouw opgegraven die van binnen besmet bleek met de radioactieve stof radium-226. Deze besmetting lag boven de norm voor radioactief afval. De vondst van de besmette buis was een aanwijzing dat ook andere afvoerpijpen uit dit gebouw besmet zouden zijn. In de vijftiger jaren bevonden zich in het B-gebouw diverse laboratoria waar met radioactieve vloeistoffen was gewerkt. Zo werden er vanaf 1947 isotopen verwerkt die met de cyclotron deeltjesversneller waren geproduceerd. Philips-Roxana maakte gebruik van de laboratoria in het B-gebouw en verwerkte vergeleken met het IKO grote hoeveelheden radioactieve stoffen, onder andere voor gebruik in medische toepassingen. In die tijd was het niet ongewoon de radioactieve resten van vloeistoffen 'door de gootsteen' te spoelen. Pas toen het IKO in 1959 een nieuw laboratorium opende (C-gebouw) waren daar speciale voorzieningen voor getroffen (de afvalwatertanks).
Radium-226
Op 11 maart werd begonnen met het
opgraven van de afvoerleidingen en putten aan de noordkant van het B-gebouw.
Een aantal van die leidingen en putten bleken van binnen besmet te zijn
met radium-226, sommigen boven de gehanteerde norm voor radioactief afval.
De onderdelen die een besmetting boven de norm hadden werden niet verder
onderzocht maar direct verpakt voor afvoer naar de COVRA. Alle andere besmette
onderdelen werden in big-bags verpakt en naar het NIKHEF terrein aan de
Kruislaan gebracht voor verdere verwerking. Ook het zand rondom de leidingen
bleek verontreinigd te zijn met radium-226 en werd weggegraven. Om te bepalen
wat de normale concentraties aan radium-226 in grond zijn (van nature ook
aanwezig) werden verdeeld over het terrein drie extra grondmonsters genomen.
Na het weggraven van de leidingen en de besmette grond is ter plekke op
verzoek van Laka ook nog een extra bodemmonster genomen op 1.80 meter diepte.
Radiumconcentraties grond noordkant B-gebouw (Bq per kilogram);
tussen haakjes het monsternummer van het NIKHEF
| grond (1) |
80
|
| grond bij put (7) |
290
|
| inhoud leiding (3) |
140
|
| Ter vergelijking | |
| grond zuidhek (13) |
30
|
| grond noordhek (14) |
30
|
| grond A-gebouw (15) |
10
|
| monster -1.80 m (19) |
20
|
| gemiddeld NL grond |
5-50
|
| "roodband" pleistergips |
360
|
| norm radioactief afval afval |
10.000*
|
De concentraties radium-226 van monsters 13/15 en 19 geven aan dat de gemiddelde radiumconcentratie op het terrein tussen de 10 en 30 Bq per kilogram ligt. De grond rondom de leidingen en de inhoud ervan (1, 7 en 3) was dus besmet door het vroegere werk bij het IKO. Geen van de gemeten monsters bevatte een concentratie die boven de norm voor radioactief afval lag. Om zeker te zijn dat de achtergebleven grond niet besmet is werd het bodemmonster op 1.80 meter diepte genomen. De concentratie radium-226 daarin bleek overeen te komen met de gemiddelde natuurlijke concentraties op het terrein.
Cesium-137
Aan de oost- en zuidkant van het
B-gebouw werden verhoogde concentraties cesium-137 aangetroffen. Cesium-137
komt van nature niet voor maar is in 1986 wel in Nederland in de bodem
terecht gekomen door de ramp in de kerncentrale van Tsjernobyl (Oekraïne).
De cesiumconcentraties die bij het B-gebouw werden gevonden lagen enkele
tientallen malen boven de gemiddelde bodemconcentraties in Nederland (zie
tabel). Wel bleven ze onder de norm voor radioactief afval (10 Bq/g). In
eerste instantie werd een hoeveelheid grond uitgegraven en in big-bags
verpakt.
Bij verder onderzoek aan de zuidkant van het B-gebouw bleken de besmettingen tot ongeveer 2 meter diep te vinden te zijn. Om zeker te zijn dat alle besmettingen verwijderd zouden worden is besloten de grond aan de zuidzijde ruim af te graven. Er werd een ruime strook langs de muur afgegraven tot op een paar meter diep en opgeslagen in drie containers. Bij het afgraven werd steeds laag voor laag gemeten of de achtergebleven straling overeen kwam met de natuurlijke waardes. De containers waren weer bekleed met big-bags die van boven konden worden dichtgemaakt. Zo kon het besmette zand zich niet verspreiden.
cesiumconcentraties
zuidkant B-gebouw (Bq per kilogram);
tussen haakjes
het monsternummer van het NIKHEF
| grond B-oost (9) |
250
|
| inhoud put B-oost |
520
|
| grond B-zuid -1,80 m (11) |
1.000
|
| grond oppervlak (12) |
490
|
| opslagcontainer 1 |
23
|
| opslagcontainer 2 |
500
|
| opslagcontainer3 |
63
|
| ter vergelijking | |
| monster Wageningen |
15
|
| norm radioactief afval |
10.000
|
De grondmonsters 9/12 laten een cesiumconcentratie zien die duidelijk hoger zijn dan in een grondmonster wat is genomen in Wageningen. De concentratie in het monster uit Wageningen is geen gemiddelde voor Nederland. Het is bekend dat in de strook Eindhoven-Amsterdam-Den Helder na de ramp in Tsjernobyl meer neerslag is gevallen en daar dus de cesiumconcentraties ook hoger zijn dan elders in Nederland. De waardes in de monsters 9/12 zijn echter dermate 'hoog' dat dit verklaard moet worden uit het vroegere werk bij het IKO. Bij het ruim afgraven van de grond aan de zuidkant van het gebouw is natuurlijk ook schoon zand in de containers terecht gekomen. Dit kan verklaren waarom de monsters uit de containers 1 en 3 niet opvallend verhoogd blijken te zijn. Met het verwijderen van de grote hoeveelheid grond langs de zuidmuur kan verder uitgesloten worden dat er daar nog restbesmettingen aanwezig zijn. Geen van de monsters bleek overigens boven de officiële norm voor radioactief afval te zitten.
Het afvoeren van de drie containers
met besmet zand bleek overigens niet eenvoudig. Volgens de officiële
normen was dit immers geen radioactief afval. Volgens de Kernenergiewet
(Besluit Stralenbescherming) ging het hier dus om "schoon" zand. Toch werd
er gezocht naar de mogelijkheid dit zand te storten op een speciale deponie,
Nauerna te Assendelft. Deze stort wordt gebruikt voor gevaarlijk afval
(zoals asbest) en was ook de bestemming van met asbest besmet materiaal
en licht radioactief puin na de sloop in 1996. Voor het storten van het
"schone" zand was echter een speciale ontheffing van de Provincie nodig.
Het duurde nog zes weken voor die ontheffing werd verleend en de containers
konden worden afgevoerd naar Assendelft.
5 tanks
Toen het C-gebouw in 1959 in gebruik
werd genomen als laboratorium was er een speciaal inzamelingssysteem voor
radioactief afvalwater. Het vervuilde water werd in 4 tanks opgeslagen
die aan de oostzijde van het C-gebouw lagen. Naast de 4 opslagtanks was
er ook nog een soort tussenopslagtank (tank 5) aanwezig. Na een bepaalde
periode van opslag (verval radioactiviteit) werd het afvalwater uit de
tanks op het riool geloosd. Bij het bodemonderzoek bleek het resterende
water in de tanks niet besmet te zijn. Wel werden er sporen plutonium-239/240
en americum-241 gevonden in de grond bij een van de vulopeningen van de
tanks.
metingen
In de tweede saneringsweek werd
de grond boven de tanks weggegraven en kon men monsters nemen van het slib
op de bodem van de tanks. Uit de eerste metingen bleek dat het slib in
tank 2 besmet was boven de norm voor radioactief afval en het slib van
tank 5 daar net onder lag. Tank 1 bleek nagenoeg onbesmet en tank 3 en
4 licht besmet maar onder de norm voor afval.
activiteit slibmonsters (Bq per kilogram)
|
cobalt-60
|
cesium-137
|
radium-226
|
neptunium-237
|
americium-241
|
|
| tank 1 |
0
|
6
|
30
|
0
|
0
|
| tank 2 |
29
|
670
|
590
|
620
|
580
|
| tank 3 |
57
|
19
|
50
|
16
|
7
|
| tank 4 |
30
|
30
|
80
|
26
|
12
|
| tank 5 |
2
|
36
|
120
|
70
|
130
|
De norm voor de alfa-stralers (radium, neptunium en americium) ligt op 1.000 Bq per kilogram. Het slib uit tank 2 bevat 1790 Bq/kg aan alfa-activiteit en ligt dus boven die norm. Het slib uit tank 5 komt uit op 320 Bq/kg en lijkt daar dus onder te liggen. Maar aangezien het slib veel water bevat zou alleen de droge reststof de norm wel overschrijden. Het slib uit tanks 3 en 4 bevat al duidelijk minder activiteit en blijft dus onder de norm voor radioactief afval.
afvoer slib
Aangezien de tanks ook werden gebruikt
voor het lozen van chemicaliën moest het slib in de tanks ook worden
onderzocht op chemische vervuilingen. Het slib bleek vervuild te zijn met
zware metalen en minerale olie. Voor het schoonmaken en het leegpompen
van de radioactief en chemisch vervuilde tanks moest een gespecialiseerde
firma (Reym) worden ingeschakeld en een plan van aanpak worden opgesteld.
Het opstellen van dat plan van aanpak en het regelen van de firma nam enige
tijd in beslag en zorgde voor vertraging. Tussen 1 en 3 mei, ruim 7 weken
na de start van de sanering, werden de tanks leegepompt en van binnen gereinigd.
Eerst werd het water uit de tanks weggepompt en nadat dat was onderzocht
op radioactiviteit kon het worden afgevoerd naar de firma ATM, die het
water verder zou zuiveren van chemische vervuilingen. Het besmette slib
uit tank 2 en 5 (ongeveer 1000 liter) werd naar de Kruislaan afgevoerd
voor verdere bewerking en verpakking en uiteindelijke afvoer naar de COVRA.
uitgraven tanks en grond
Na reiniging zijn tanks 1/4 van
binnen nog gecontroleerd op restbesmettingen en vervolgens uitgegraven
en afgevoerd naar een metaalverwerkingsbedrijf. De betonnen tank 5 is afgevoerd
naar de stort in Assendelft. De pompen die aangesloten waren op tanks 1
en 2 waren ook licht besmet zijn en werden eveneens afgevoerd naar de stort.
De grond rond tanks 1 en 2 bleek bij het bodemonderzoek licht besmet te
zijn. Er werd een hoeveelheid van 15 m3 weggegraven en opgeslagen
in een container voor afvoer naar de stort. Samen met de containers met
zand van het B-gebouw werd de grond later afgevoerd naar Assendelft.
versneller
In het C-gebouw, het chemisch/radiologisch
laboratorium wat in 1959 in gebruik werd genomen, bevond zich een lineaire
deeltjesversneller die in 1966 in gebruik kwam. De straling uit een versneller
kan tot activering van materiaal leiden, bijvoorbeeld door de splijting
van uraniumkernen in beton. De betonnen vloer van de versnellerruimte (C039)
bleek in 1996 kleine hoeveelheden activeringsproducten te bevatten. Ook
onder de vloer zouden door activering radioactieve besmettingen kunnen
zijn ontstaan. Na verwijdering van het beton werd de grond onderzocht.
Er werden geen radioactieve stoffen gevonden die door het werk met de versneller
konden zijn veroorzaakt. De 60 cm dikke betonnen vloer had er dus voor
gezorgd dat de bodem onder de versneler niet was vervuild.
wand CK14/16 en leidingen
De wand tussen de kelderruimtes
CK14 en CK16 was voor de sanering aangegeven als "verdachte locatie". Het
NIKHEF hield er rekening mee dat zich in de muur een hoeveelheid radioactieve
loodblokken kon bevinden. In de tweede saneringsweek werd de muur van binnen
bekeken en bleek die alleen betonblokken te bevatten. Diverse leidingen
uit de kelders werden onderzocht op radioactieve besmettingen en bleken
lichte sporen cobalt-60, cesium-137 en americium-241 te bevatten. De gevonden
waardes lagen ruim onder de norm voor radioactief afval, maar de leidingen
zijn wel apart afgevoerd.
3.5 OUDE SLOTEN EN BEGRAVEN AFVAL
In de vijftiger jaren lagen er op het IKO terrein een aantal sloten, waarin ook radioactief afvalwater werd geloosd. In die tijd controleerde men elke 14 dagen de activiteit in het slootwater en werd een enkele keer vastgesteld dat de toen geldende lozingsnormen overschreden werden. Het lozen van afvalwater op de sloten leidde in 1957 tot de zogenaamde "kikkeraffaire", toen er misvormde kikkerlarven werden gevonden. Voor een verklaring van de misvormingen werd in eerste instantie gedacht aan radioactieve stoffen maar later bleek dat mogelijk een virus de misvormingen had veroorzaakt. De "kikkeraffaire" heeft destijds in de buurt voor veel commotie gezorgd en nu nog weten veel buurtbewoners zich dit verhaal te herinneren.
De sloten op het terrein werden eind jaren vijftig gedempt. De sloot langs de noordkant van het terrein werd in 1965 uitgegraven en met schoon zand dichtgegooid. Bodemonderzoek op de plaatsen van de voormalige sloten lieten geen verhogingen van radioactieve stoffen zien. Onderzoek door buro Omegam toonde aan dat een deel van de sloten gedempt bleek te zijn met schoon zand. Onbekend was echter nog of zich onder de vloer van het zuidelijk deel van het C-gebouw nog restanten van de voormalige sloot aanwezig zouden zijn. Bij het slopen van de vloerdelen werden echter geen sporen van de oude sloot gevonden. Deze is dus waarschijnlijk bij het bouwen van dat deel van het gebouw volledig weggegraven.
Het is ook bekend dat het IKO in
de vijftiger jaren op een tweetal plaatsen radioactief afval op het terrein
had begraven vanwege een tijdelijk gebrek van afvoermogelijkheden. Philips-Roxana,
die ook op het IKO was gevestigd, had een fabriek aan de Hemdijk in het
Westelijk havengebied waar men vanaf 1957 het afval heen kon brengen. De
afvalkuilen zijn in ieder geval uitgegraven voordat het C-gebouw werd gebouwd.
Bij "afvalkuilen" moeten we overigens niet denken aan diepe gaten die weer
dichtgestort werden met zand. Dat zou het (hoge) grondwaternivo niet eens
toelaten. Uit een foto in een publicatie van die tijd lijkt het eerder
op een soort ondiepe open kuilen waarin de afvalvaten werden geplaatst.
De toen nog geaccepteerde praktijk van het in de open lucht en in kuilen
opslaan van afval heeft wel geleid tot de aanbeveling rekening te houden
met het aantreffen van onverwachte voorwerpen in de bodem. Bij de bodemsanering
zijn echter geen onverwachte voorwerpen in de bodem aangetroffen.
De afvoerleidingen rond het A-gebouw
werden in de eerste week van de sanering onderzocht en bleken geen radioactieve
besmettingen te bevatten. Ook rond het voormalige afvalopslaggebouw (E)
werden geen besmette leidingen aangetroffen. Alle ondergrondse kelders
van de gebouwen zijn uiteindelijk gesloopt waarna het puin is afgevoerd.
De ontstane gaten werden vervolgens opgevuld met schoon zand. In juni werden
de laatste hoeveelheden zand op het terrein gestort.