Graag bieden wij u hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door het lidWilders over het ontwerp van de ultracentrifuges in Iran. Deze vragen werden ingezonden op 2 december 2003 met kenmerk 2030404020.
De Minister van Buitenlandse Zaken, De Minister van Economische Zaken,
Mr. B.R. Bot Mr. L.J. Brinkhorst
Antwoord van de heer Bot, minister van Buitenlandse Zaken en de heer Brinkhorst, minister van Economische Zaken, mede namens mevrouw Van Gennip, staatssecretaris van Economische Zaken, op vragen van het lid Wilders (VVD) over het ontwerp van de ultracentrifuges in Iran.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht ‘Ultracentrifuge
Iran is ontwerp van Urenco’?1)Antwoord
Ja.Vraag 2
Hoe beoordeelt u de uitspraken van diplomaten
rond het International Atomic Energy Agency ( IAEA) dat blauwdrukken van
het type ultracentrifuge dat door Iran wordt gebruikt, afkomstig zijn van
Urenco?Antwoord
De regering heeft uit nader onderzoek begrepen
dat het zou gaan om Urenco-technologie uit de jaren zeventig.Zie
verder de antwoorden op vragen 3 en 4.Vraag 3
Beschikt de Nederlandse regering nu over de technische
specificaties op basis waarvan de gelijkenis van de Iraanse ultracentrifuges
met die van Urenco kan worden vastgesteld? Zo ja, welke mate van gelijkenis
vertonen beide?
Antwoord
De Nederlandse regering beschikt zelf niet over technische specificaties
op basis waarvan de gelijkenis van de Iraanse ultracentrifuges met die
van Urenco kan worden vastgesteld.
Vraag 4
Indien de uitspraken van de IAEA-diplomaten op waarheid
blijken te berusten, hoe rijmt u deze uitspraken dan met uw antwoord op
kamervragen dat er geen enkele aanwijzing is dat het huidige Iraanse nucleaire
programma mede gebaseerd is op de door Urenco ontwikkelde verrijkingstechnologie?
2)
Antwoord
Sedert beantwoording van genoemde kamervragen zijn
er aanwijzingen gekomen dat het Iraanse nucleaire programma mede gebaseerd
is op vroege Urenco-technologie. Zo stelde de Directeur Generaal van het
IAEA, El Baradei, in zijn rapport dat hij op 26 augustus circuleerde
over Iran, dat de ultracentrifuges in Natanz kunnen worden herkend als
een ‘early European design’. Het zou zoals gesteld in het antwoord op vraag
2 daarbij gaan om Urenco-technologie uit de jaren zeventig. Nederland heeft
alle medewerking aan het IAEA aangeboden voor verder onderzoek naar de
herkomst van de technologie. Deze zaak heeft ook de volledige aandacht
van de Gemengde Commissie in het kader van het Verdrag van Almelo, bestaande
uit regeringsvertegenwoordigers uit Duitsland, het Verenigd Koninkrijk
en Nederland, die is belast met het toezicht op Urenco.Vraag
5
Op welke wijze heeft volgens u Iran de betreffende
technologie kunnen verkrijgen? Zijn er aanwijzingen dat behalve Pakistan
en Iran ook andere landen in de Derde Wereld direct of indirect Urenco-technologie
hebben weten te bemachtigen? Zo ja, wat zijn die aanwijzingen en om welke
landen gaat het dan?Antwoord
Het is de regering niet duidelijk hoe Iran de betreffende
technologie heeft kunnen verkrijgen. Inmiddels zijn er aanwijzingen dat
naast de in de vraag genoemde landen, Noord-Korea en Libië ook over
de betreffende technologie blijken te beschikken. Het IAEA en de AIVD verrichten
terzake nog onderzoek.1) de Volkskrant, 28 november
jl.
2) Aanhangsel-Handelingen nr. 1175, vergaderjaar 2002-2003 en Aanhangsel-Handelingen
nr. 1360, vergaderjaar 2002-2003