Lees hier de Memorie van toelichting van De Pous (pdf, 26 bladzijden, 2.5MB)'Nota inzake de kernenergie (Opwekking van elektriciteit door middel van kernenergie)'
18 september 1961
De Pous (minister van Economische Zaken in kabinet De Quay) publiceert de (tweede) Nota inzake de Kernenergie. In feite is het een bijstelling van die uit 1957 van voorganger Zijlstra, die te optimistisch bleek en nooit behandeld is: "De aanvankelijke verwachting, dat kernenergie in snel tempo en op grote schaal een oplossing zou moeten geven voor het energieprobleem, bleek ongegrond".
De Pous laat zich adviseren door de Commissie Tromp, de ad-hoc Commissie Nucleaire Industriële Ontwikkeling, aangesteld in 1960 om advies uit te brengen over de mogelijkheden van de toepassing van kernenergie voor de Nederlandse industrie.
Lag in de jaren '50 het initiatief vooral bij de wetenschap; in de jaren '60 vindt er een verschuiving plaats naar de industrie, maar nog steeds faciliteert de regering alleen maar en geeft weinig sturing. Ook in financiering is de verschuiving zichtbaar: in het begin was kernenergie onderdeel van (de begroting van) het Ministerie van Onderwijs, nu zal dat steeds meer veranderen en wordt EZ het leidende ministerie. In 1962 zal als bewijs daarvoor het fonds Nucleaire Ontwikkeling door EZ worden ingesteld om initiatieven uit de industrie te ondersteunen.
De Pous stelt: "In het kader van de industriële ontwikkeling op kernreaktorgebied neemt het project voor de bouw van een eerste kernenergiecentrale een belangrijke plaats in. (…) Met de eerste fase, het opstellen van een voorontwerp voor een 50 MW-centrale, is inmiddels een aanvang gemaakt."
Ook gaat de aanvullende nota uitgebreid in op de Kernenergiewet die in ontwikkeling is en waarvan een eerste deel in 1963 in werking treedt (pas in 1970 treedt de hele wet in werking). De KeW heeft twee doelen: "de bevordering van goede ontwikkeling op het gebied van het vrijmaken van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en straling uitzendende toestellen" en "de bescherming van mens en milieu tegen de hieraan verbonden gevaren".Er is geen sprake van oppositie, getuige de opmerking van De Pous bij het Kamerdebat' in februari 1962: "Mijnheer de Voorzitter! Ik mag konstateren, dat alle sprekers er met mij van overtuigd zijn, dat de kernenergie op de lange termijn gezien, een groot gedeelte van de Nederlandse energiebehoefte zal moeten dekken."
Er is ook nog een 'Nota inzake het aardgas' van De Pous uit 1962, waarin wordt aangegeven hoe de overheid zich voorstelt de gasbel in Groningen te exploiteren: overlaten aan de markt.
Pas in 1965 zal minister Andriessen EZ reorganiseren en een Directoraat-Generaal voor energievoorziening inrichten; hij voegt Industrie en Handel samen en combineert alle 5 energiedirecties in het DG, waar, door een brede taakstelling, ook productie, milieuaspecten, en betaalbaarheid onder vallen. Het Directoraat-Generaal wordt opgericht omdat "enerzijds aanwending van het aardgas en anderzijds de afwikkeling van de sluiting van de mijnen, naast de aandacht voor olie en kernenergie een integrale visie op energie verlangen".