Lees hier de nota Langman (pdf, 21 bladzijden, 2.3MB)'Nota inzake het kernenergiebeleid'
30 maart 1972
Vier ministers bieden de "Nota inzake het kernenergiebeleid' aan. Uitgangspunt van de Nota (bekend als de nota Langman, genoemd naar de minister van EZ in het kabinet Biesheuvel) is dat de overheid ten aanzien van kernenergie een stimulerende en ondersteunende taak heeft, "uiteraard binnen de grenzen van de financiële mogelijkheden". Belangrijkste middelen die ten dienste staan van de overheid om dat beleid te realiseren zijn het RCN en het Nucleair Ontwikkelingsfonds. Uit een overzicht blijkt dat vanaf 1955 er ongeveer, inclusief internationale samenwerking, f 1.3 miljard uitgegeven is aan kernenergie (-onderzoek) en 'thans f 180 miljoen p/j'.
In Hoofdstuk II, 'De plaats van de kernenergie in het nationale energiebeleid' gaat de regering er van uit dat het totaal opgesteld elektrisch vermogen in 2000 acht keer zo groot is dan in 1970 en dat kernenergie daarvan de helft (35.000 MW!) voor haar rekening zal nemen.
(in 1000 MWe)(ter vergelijking, in 2000 was het totaal opgestelde elektrisch vermogen –inclusief WKK- ongeveer 19.000 Mwe, en het opgestelde kernenergie vermogen 450 MWe)
Jaar
Kolen
Aardgas/Olie
Kernenergie
totaal
1970
2
7
-
9
1980
-
17
2
19
1990
-
22
14
36
2000
-
35
35
70
De toon is optimistisch hoewel geconstateerd wordt dat na de Kernenergienota uit 1957, de dalende olieprijzen en de grote beschikbaarheid de commerciële invoering van kernenergie 25 jaar hebben vertraagd. Maar nu de olieprijzen sterk stijgen, is het te verwachten "dat reeds in dit decennium het verlenen van opdrachten voor de bouw van kernenergiecentrales ook in Nederland in grotere omvang zal plaatsvinden dan tot voor kort werd verwacht".
Ondertussen is de eerste kerncentrale in Dodewaard in bedrijf, wordt de tweede gebouwd in Borssele, zijn er een serie onderzoeksreactoren in bedrijf (twee in Petten, en verder in Delft, Eindhoven, Arnhem en Wageningen), is in Almelo de bouw begonnen van de ultra-centrifuge proefverrijkingsfabriek en is er op een aantal gebieden internationale samenwerking.
De Nota gaat ook dieper in op de Nederlandse deelname aan de kweekreactor in Kalkar, en deelt mee dat die 15% zal zijn, en "dat de financiering geheel uit een heffing in de energiesector zal komen, omdat door de sterk gestegen kosten voortzetting van de deelneming alleen mogelijk is door middel van een bijzondere financieringsregeling."
Verder wordt meegedeeld dat de Athene-reactor op de universiteit van Eindhoven uiterlijk mei 1973 gesloten moet worden. Er ligt al lang een advies van de WRK (Wetenschappelijke Raad voor de Kernenergie) voor sluiting. Argumenten voor de minister zijn de kosten in relatie tot het geringe animo om van de reactor (die pas in 1968 in gebruik genomen is) gebruik te maken.
In mei bij het debat vindt de vaste Kamercommissie voor de Kernenergie dat er in de Nota onvoldoende aandacht besteed wordt aan de veiligheid rond kernreactoren en aan de gevolgen van kernenergie voor het milieu.
In 1973 besteedt Nederland ruim een kwart van het totale wetenschapsbudget (exclusief de universiteiten en hogescholen) aan onderzoek voor de toekomstige energievoorziening, nl. f 80,6 miljoen. Van die f 80,6 miljoen is f 80,6 miljoen bestemd voor onderzoek naar kernenergie (100% dus). Dan komt de constatering van de SEP dat "er voorlopig geen zicht is op een praktisch gebruik van andere energiebronnen dan kernenergie" in een heel ander daglicht te staan.