Gepubliceerd maart 2001
 
 

UNEP RAPPORT OVER VERARMD URANIUM IN KOSOVO

Vorige maand werden de bevindingen gepubliceerd van de UNEP over de mogelijke gevolgen voor het milieu van het gebruik van verarmd-uraniummunitie door de NAVO in Kosovo. Tien jaar na het grootschalige gebruik van dit soort munitie door de Amerikaanse en Britse strijdkrachten in de Golfoorlog is er dan eindelijk het eerste internationale onderzoek naar de milieueffecten van verarmd uranium in militaire conflicten. Volgens het UNEP Verarmd Uranium Onderzoeksteam is er geen sprake van detecteerbare en wijdverspreide besmetting van het grondoppervlak door verarmd uranium. De radiologische en toxicologische risico’s worden nihil en zelfs niet bestaand genoemd. De besmetting met verarmd uranium op het grondoppervlak, zo wijst het onderzoek uit, beperkt zich tot gebieden binnen een paar meter van de gebruikte munitie, en gelokaliseerde punten van geconcentreerde besmetting die veroorzaakt zijn door inslag van de munitie. Een aantal van deze besmettingspunten werden door het onderzoeksteam vastgesteld, maar de meeste werden slechts licht besmet bevonden. Het enige risico, vanuit toxicologisch oogpunt, zou fysiek contact zijn met een besmettingspunt. Verder waarschuwt de UNEP voor besmetting van het grondwater en / of drinkwater in de regio’s van de 112 met verarmd uranium besmette plekken.

Helaas kent het rapport veel onzekerheden en talrijke beperkingen van de elf onderzochte plekken konden er slechts vier volledig worden geïnspecteerd, omdat de andere zeven plekken te gevaarlijk waren om te onderzoeken door de aanwezigheid van mijnen en / of niet geëxplodeerde clusterbommen of andere projectielen. Dit feit geeft aan hoe moeilijk het is om deze gebieden te ontsmetten en te ontmijnen. In de inleiding van het rapport merkt de voorzitter van het UNEP onderzoeksteam Pekka Haavisto op: "Er is een gebrek aan informatie over het gedrag van verarmd uranium (en de gerelateerde risico’s) in gevallen waar munitie van verarmd uranium aanwezig is in mijnenvelden die opgeruimd worden door explosies. "Wat wel zeker is bij de detonatie van een mijn in een besmet gebied, is dat de uraniumdeeltjes weer opdwarrelen. De meest risicovolle verschijningsvorm van verarmd uranium.

Een ander belangrijk aspect is de mogelijke besmetting van de lokale burgerbevolking, de veldstaf van internationale organisaties en het militair personeel in de afgelopen twee jaar. Pekka Haavisto spreekt zijn bezorgdheid uit over de mensen die in de nabijheid verkeerden van aanvallen met verarmd-uraniummunitie en in de periode daarna. Vervolgens onthult hij en passant dat er al schoonmaak van met verarmd uranium besmette plekken heeft plaatsgevonden door de NAVO:

"Tijdens de schoonmaak van bestookte doelen kan er besmettingsgevaar zijn opgetreden, waarbij beschermende maatregelen zijn vereist - vooral wanneer er gedeeltelijk besmette gepantserde voertuigen zijn betreden. Geen van zulke voertuigen waren aanwezig op de plekken die door het UNEP-team in november 2000 zijn bezocht en het is daarom waarschijnlijk dat de militaire schoonmaak al had plaatsgevonden. De UNEP heeft geen informatie over de verwijdering van of mogelijk huidige locaties van met verarmd uranium beschadigde voertuigen van de bezochte plekken." Verder komt hij niet, want de omstandigheden vanaf de beschietingen in mei-juni 1999 tot het UNEP onderzoek, van 5 tot 19 november 2000, vallen buiten het bestek van het onderzoek. Het is opmerkelijk dat deze belangrijke passage in het rapport niet voorkomt in de berichtgeving in de media. Immers, hoe kunnen er nu conclusies worden getrokken wanneer blijkt dat een besmette plek al gedeeltelijk is schoongemaakt door KFOR? Om een compleet beeld te krijgen van de werkelijke uitwerking van verarmd uranium op het milieu en de gezondheid is het natuurlijk van groot belang om te weten wanneer en hoe deze plekken zijn ‘schoongemaakt’.

Neem bijvoorbeeld de vroegere basis van het Joegoslavische leger nabij Djakovica, ongeveer 200 meter ten zuiden van de oude stadskern, die ook door het UNEP-team werd bezocht op 7 en 8 november 2000. De legerbasis met gepantserde voertuigen en een munitiedepot werd op 14 mei 1999 volgens gegevens van de NAVO, beschoten met 300 anti-tankpatronen van verarmd uranium. Toen het onderzoeksteam de basis bezocht, bleek dat de bebouwing op het terrein was gesloopt en dat de getroffen voertuigen opgestapeld lagen. Uit de beschrijving van de situatie komt het beeld naar voren dat pas tijdens de schoonmaakwerkzaamheden, onder supervisie van KFOR, verarmd-uraniummunitie werd gevonden tussen het metaalschroot. Het is dus aannemelijk dat de militairen die aan de schoonmaakoperatie deelnamen aan stofdeeltjes verarmd uranium hebben blootgestaan. Veel erger nog zijn de gevolgen voor de lokale bevolking. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een verslag van Scott Peterson in de Christian Science Monitor van 5 oktober 1999. De verslaggever beschrijft hoe teruggekeerde Albanees Kosovaarse vluchtelingen en hun kinderen zich op, in en tussen de besmette voertuigen op de legerbasis begeven op zoek naar bruikbare onderdelen of om te spelen (kinderen). Ook ziet hij kinderen lopen met gebruikte verarmd-uraniummunitie. Een ter plaatse aanwezige Britse veteraan, die bekend is met de gevaren van verarmd-uranium-besmetting, en in het gebied werkt als instructeur van een lokale mijnopruimploeg, slaat het tafereel met afschuw gade en probeert de mensen weg te houden van de besmette voertuigen. Hij slaagt daar niet in, omdat de mensen totaal niet op de hoogte zijn van de gevaren waar ze aan bloot staan. Net als in Djakovica zullen er ongetwijfeld tal van andere plaatsen zijn waar burgers maandenlang hebben blootgestaan, of nog steeds blootstaan, aan stofdeeltjes verarmd uranium op een manier die in militaire kringen wordt beschouwd als één van de meest riskante situaties. De lucht in een met verarmduraniummunitie beschoten tank of pantservoertuig is bij de geringste beweging verzadigd met micro-deeltjes uraniumoxide, die bij inademing jarenlang in de longen en andere organen verblijft om uiteindelijk in de botten terecht te komen. De mogelijke effecten zijn kanker en het ontstaan van allerlei gezondheidsklachten die verband houden met de aantasting van het afweersysteem (slapeloosheid, ernstige vermoeidheid, aantasting van het geheugen, haarverlies, auto-immuunziekten, etc).

Door verarmd uranium te vergelijken met het uranium dat van nature om ons heen voorkomt, wordt de suggestie gewekt dat het allemaal wel meevalt. In vrijwel alle rapporten van het Amerikaanse leger en ook nu weer in het UNEP rapport wordt die vergelijking voortdurend gemaakt. Zo ook in de schrijfsels van stralingsdeskundige Dr. A.S. Keverling Buisman (ECN) naar aanleiding van de vermiste hoeveelheid verarmd uranium dat bij de Bijlmerramp mogelijk is verbrand. Het uranium dat van nature voorkomt (in de bodem, in het water, in de lucht. in ons Lichaam en ons voedsel) is aanwezig als een mineraal die geen biochemische reacties aangaat in het lichaam. De hoeveelheid in het lichaam blijft constant; er komt even veel uranium in het lichaam als dat ons lichaam verlaat. De chemische stofdeeltjes van verarmd uranium (vooral het slecht oplosbare uraniumdioxide) zijn reactief en hopen zich op in het lichaam, met alle gevolgen van dien. De deeltjes die in de longen terechtkomen, zijn in feite ‘hot spots’. Buiten het lichaam geldt verarmd uranium als een licht radioactieve stof, maar binnen het Lichaam kan deze zwakke alfa-straler veel schade aanrichten. De straling van een alfadeeltje (een helium-ion) heeft slechts een korte dracht, maar in een longblaasje is die actieradius voldoende om op termijn ernstige schade toe te brengen aan het longweefsel en dat geldt ook voor de weefsels en organen die worden gepasseerd op de weg naar het bot. Tegelijkertijd spelen ook de chemotoxische effecten een rol. Net als lood en cadmium is verarmd uranium een zwaar metaal. Voor interne besmetting met verarmd uranium zouden nieuwe modellen moeten worden ontwikkeld. De gangbare modellen van de Internationale Commissie voor Stralingsbescherming (ICRP) zijn niet toereikend omdat ze zijn gebaseerd op studies naar de effecten van externe radioactieve straling die in Hiroshima en Nagasaki hebben plaatsgevonden.

Voor een serieus medisch onderzoek onder de bevolking in de nabijheid van besmette zones is het van groot belang om duidelijkheid te krijgen over de mate waarin de bevolking aan radioactieve stofdeeltjes is blootgesteld, vooral in de periode van voor de schoonmaakoperaties van KFOR. De periode van na de schoonmaak, zoals in het UNEP-rapport wordt beschreven kan nooit als maatgevend worden beschouwd. Het kwaad is immers al lang geschied. Veel besmette plekken liggen in de omgeving van bewoonde gebieden.

Ondanks intensief zoeken vond het onderzoeksteam van de UNEP slechts zeven en een halve projectiel van verarmd uranium. Volgens de rapporteurs ‘kan dit betekenen dat andere patronen niet op het grondoppervlak, maar diep in de grond terecht zijn gekomen; ze zijn verspreid over een groter gebied dan wordt aangenomen; ze al zijn weggenomen, bijvoorbeeld door de militaire schoonmaak van een plek of bij het opruimen van mijnen’. Een andere mogelijkheid, die slechts en passant in een bijlage van het rapport wordt beschreven, is dat kinderen de radioactieve patronen hebben opgepakt, in hun zak gestopt - of zoals ook is waargenomen als een trofee om hun hals gehangen - en mee naar huis genomen. Bij contact met de huid bedraagt het dosistempo 2 milliSievert per uur. (De dosislimiet voor het gehele lichaam bedraagt 1 mSv per jaar) Langdurig contact kan leiden tot stralingsdoses die beduidend hoger liggen dan de geldende dosislimieten. Met de modellen van het ICRP worden de plaatselijk hoge doses weggecijferd door de lokale dosis te verrekenen ten opzichte van de dosis die het gehele lichaam ontvangt. Net als de radioactieve stofdeeltjes in de longen wordt zo de suggestie gewekt dat de effectieve dosis lager is dan de achtergrondstraling.

In de media kwam na publicatie van het UNEP rapport het beeld naar voren dat er geen reden is tot ongerustheid. De uitvoerend directeur van de UNEP, Dr. Klaus Topfer, zei: "Deze bevindingen zal de angst van mensen die in Kosovo leven of werken verlichten." Evenals de aanbeveling dat de bevolking, bijna (wee jaar na de bombardementen, wordt geadviseerd om geen uraniumhoudende munitie op te pakken en mee naar huis te nemen, snijdt deze opmerking geen hout. De aanbevelingen van de UNEP komen wel erg laat en zijn soms ook totaal gespeend van de realiteit. Het grondwater en drinkwater moet, afhankelijk van de soort grond, de komende tien tot wellicht honderden jaren op verarmd uranium worden getest. En wat te denken van de besmette grond die geborgen moet worden in een speciaal daarvoor bestemd depot voor radioactief afval? De hoge kosten van de opslag van verarmd uranium in de VS is juist een van de redenen waarom het radioactieve en zware metaal wordt toegepast in munitie. Al sinds de jaren vijftig voert het Amerikaanse ministerie van Energie (DoE), en haar voorloper AEC (Atomic Energy Council), het beleid om zoveel mogelijk laag radioactief afval te recyclen of te ‘verdunnen’ om de kosten die met de opslag gepaard gaan te besparen. Verarmd uranium past helemaal in dat plan. De vraag blijft wie de astronomische kosten van de schoonmaak in Kosovo gaat betalen. Dat geldt ook voor Irak (Golfoorlog, 1991) en Bosnië. Behalve tijdens de 78 dagen durende luchtoorlog tegen Joegoslavië in 1999, werden de radioactieve projectielen ook gebruikt in Bosnië in 1994 en 1995.
 
 

Geraadpleegde bronnen:
-1- UNEP, Depleted Uranium in Kosovo, Post Conflict Environmental Assessment, UNEP Scientific Mission to Kosovo, 5. 19 November 2000, 13 March 2001
-2- Christian Science Monitor, Oct.5, 1999 Scott Peterson, The trial of a bullet - New evidence emerges of radioactive contamination in Kosovo
-3- Middle East Report MER 215, summer 2000, Scott Peterson, Depleted Uranium haunts Kosovo and Iraq
-4- Kosovo uranium ‘poses little risk’ BBC news, 13 March, 2001, Alex Kirby
 
 
 

Gepubliceerd Socialisties Initiatief, maart 2001
 

 terug naar boven