Radioactief afval; Kabinet laat het over aan Klankbordgroep

afvalopslagGisteren gepubliceerd door de minister van Infrastructuur en Milieu: het ‘ontwerp nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen’. Nederland is net als alle andere landen van de Europese Unie, verplicht het beleid ten aanzien van beheer en berging van radioactief afval (en concrete stappen daar naar toe) te omschrijven. Vorig najaar was er de gelegenheid commentaar te leveren op het concept nationaal programma en nu is er een document gepubliceerd met de zienswijzen erin verwerkt. Nou ja, in theorie tenminste; want dat valt nogal tegen. Hoewel geconcludeerd wordt dat het “op dit moment echter niet zinvol [lijkt] om publieksparticipatie rondom eindberging te starten” is een belangrijke verandering het concretiseren van een Klankbordgroep. Vastgehouden wordt aan het beleid om een eindberging pas ver in de 22ste eeuw te realiseren.

In totaal zijn er vorig jaar 497 inspraakreacties ontvangen, waarvan 47 uniek. Vrijwel al die reacties stelden dat radioactief afval niet los kan worden gezien van kernenergie: dat moet in het beleid mee genomen worden.
Maar het nu gepubliceerde aangepaste ontwerp is er duidelijk over (blz 12): “Het nationale programma gaat dus (..) niet over de discussie over het al dan niet stoppen met het produceren van kernenergie. Die discussie wordt gevoerd in het kader van het bepalen van de energiemix.” Het gaat daarna verder met: “Toch worden kernenergie en radioactief afval in het maatschappelijk debat niet los van elkaar gezien. Het nationaal programma gaat over meer dan ‘kernafval’. Sommige maatschappelijk organisaties zien het uitfaseren van kernenergie als een vereiste voor besluitvorming over berging van radioactief afval.” Maar dit is een weergave van het maatschappelijk debat, niet van de weerslag die dat maatschappelijk debat op het nationaal programma heeft.

Als we verder de twee documenten nauwkeurig met elkaar vergelijken, zien we maar weinig veranderingen. En dat zijn voor een deel dan nog procedurele veranderingen, noodzakelijk doordat het één een vervolgdocument op het andere is. Hoewel er een bijlage is met de reacties op de zienswijzen is er heel weinig daarvan terug te vinden in het ontwerp nationale programma. Zo stelden wij dat de radioactief afval inventaris onduidelijk is en daar wordt helemaal niet op gereageerd terwijl die inventaris toch een onderdeel van het Nationaal Programma moet zijn.

Er lijkt niet alleen weinig gedaan met de inspraakreacties, maar eigenlijk ook met het advies van de Commissie MER dat eind november 2015 gegeven werd. Kritiek was dat het beleid weinig concrete acties voorziet waardoor risico’s ”mogelijk onnodig op toekomstige generaties afgewenteld” worden; en de onzekerheden over financiering van de eindberging die beter in beeld gebracht moeten worden. Een van de belangrijke adviezen was het instellen van een soort Waarborgingsbeleid (analoog aan die voor kerncentralelocaties) voor mogelijke eindbergingslocaties.
Letterlijk adviseerde de Cie MER om “in voorbereiding op de voortgangsrapportage in 2018 aan de EU, het volgende te doen:

  • Een aantal potentieel geschikte zoekgebieden aanwijzen voor een eventuele eindberging van het radioactieve afval als OPERA laat zien dat bepaalde formaties daarvoor geschikt zijn;
  • Aan te geven op welke alternatieve scenario’s wordt ingezet als OPERA laat zien dat er geen geschikte formaties zijn” (OPERA is het nu lopende onderzoek naar eindberging).

Het belangrijkste nieuwe in dit nu naar de Kamer gestuurde ontwerp nationaal programma, is de veel concretere taakstelling van een Klankbordgroep. Hiermee lijkt het tegemoet te komen aan dit advies, maar dat is deels schijn. Het is het instellen van (opnieuw) een commissie die in de komende tien jaar –tot het volgende nationaal programma in 2025- “wordt gevraagd aandacht te besteden aan:

  • Het concreet maken van de vormen van participatie;
  • De financiering van de eindberging en de onzekerheden daarbij;
  • Potentieel geschikte zoekgebieden voor berging van radioactief afval die gereserveerd kunnen worden en aan te geven welke beleidsmatige afstemming nodig is gelet op andere gebruiksfuncties van de (diepe) ondergrond ter plekke;
  • Borging van de benodigde kennisinfrastructuur in Nederland;
  • De criteria voor het bepalen van de periode van terugneembaarheid van het radioactief afval uit de eindberging;
  • De mogelijke beleidsimplicaties van de resultaten uit OPERA.

Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat (blz 5) “het beheer van radioactief afval op de lange termijn is een complex onderwerp: het betreft niet alleen onze generatie, maar ook toekomstige generaties. Een gedragen besluit in de toekomst is essentieel voor het realiseren van een eindberging. Het lijkt op dit moment echter niet zinvol om publieksparticipatie rondom eindberging te starten: uit onderzoek ter ondersteuning van dit nationale programma blijkt dat door het ontbreken van concrete besluitvorming op dit moment voor veel burgers de urgentie tot participeren ontbreekt.

Maar als de klankbordgroep haar taak serieus neemt (maar kan dat als je 10 jaar gaat praten over iets wat 70 jaar later moet gaan gebeuren?) zal er toch nagedacht moeten worden over “potentieel geschikte zoekgebieden” voor de eindopslag van radioactief afval. Of dat concreter gaat worden dan het nu al decennia bekende riedeltje ’zoutkoepels in Groningen en Drenthe en klei in Friesland en Brabant’, is natuurlijk de vraag. En zo zal geen enkel kabinet zich de vingers branden aan het benoemen van locaties voor ondergrondse opslag van radioactief afval.

Zoals Laka al concludeerde in onze zienswijze ‘Wait and See’: ook over 100 jaar is het vinden van een eindberging niet alleen maar een financiële kwestie –ook al wordt nu wel gedaan alsof het zo is– maar nog steeds een heikel politiek probleem. En is er –ook met dit nieuwe concept- geen enkele garantie dat de tussenopslag in de Covra, oorspronkelijk gepland voor 50-100 jaar, en dat nu al 100 tot 150 jaar is geworden, niet ook dan steeds weer opnieuw verlengd wordt.