Europa voelt Nederland aan de tand over eindberging kernafval


De Europese Commissie voelt Nederland aan de tand over het gevoerde kernafvalbeleid. Brussel had Nederland vragen gesteld naar aanleiding van het Nationale Programma Radioactief afval. De minister van Infrastructuur en Milieu schrijft nu dat Nederland wél concrete stappen zet “om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties geen onnodige last ondervinden van radioactief afval”. Namelijk dat er nu “nog geen onomkeerbare beslissingen over toekomstig beheer genomen” worden. Nederland is namelijk niet van plan om voor het eind van deze eeuw ook maar iets te doen met het afval. Verder heeft de ANVS Jan Paul van Soest aangesteld als kwartiermaker voor de vorig jaar aangekondigde Klankbordgroep. Dat orgaan moet een aantal vragen over het Nederlandse radioactief afvalbeleid beantwoorden.

De minister van Infrastructuur en Milieu moest vragen van de Europese Commissie over het Nationaal Programma beantwoorden. De Europese Commissie windt er geen doekjes om: "Kunt u toelichten hoe Nederland aantoont dat het redelijke stappen heeft gezet ter vervulling van haar ethische plicht om ervoor te zorgen dat toekomstige generaties geen onnodige last ondervinden van de verbruikte splijtstof en het radioactief afval?

De minister antwoord dat er “geen onomkeerbare beslissingen over toekomstig beheer genomen” worden. “Dit geeft volgende generaties de gelegenheid om, met de inzichten van dat moment, beslissingen te nemen over de uitvoering van de eindberging. Daarbij kunnen mogelijke nieuwe ontwikkelingen (inclusief nieuwe technieken, multinationale oplossingen en ervaringen van andere landen) voor het beheer van radioactief afval, die tijdens de periode van bovengrondse opslag beschikbaar komen, meegenomen worden in de definitieve besluitvorming rond 2100.

Maar dit is juist niet wat de Europese Commissie eist van nationaal radioactief afvalbeleid: die eist namelijk concrete stappen op weg naar een eindberging. Het niet nemen van ‘onomkeerbare beslissingen’ kun je moeilijk ‘concrete stappen’ noemen.

Verder wil Europa weten hoe Nederland het principe 'de vervuiler betaalt' waarborgd. De minister komt hier  niet echt uit. De Covra neemt de verantwoordelijkheid over van het radioactief afval van de vervuiler tegen een contractueel vastgesteld bedrag. Mochten de kosten stijgen (of zoals in het Nederlandse geval; het rendement tegenvallen waardoor het bedrag niet voldoende groeit), is er geen mogelijkheid de vervuilers daar op aan te spreken. Het risico ligt bij de Covra, en aangezien de Covra 100% staatseigendom is, bij ons. En niet bij de vervuiler.

Kwartiermaker voor 100 jaar nietsdoen
In het nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen dat vorig jaar gepubliceerd werd, werd een Klankbordgroep geïntroduceerd mee mag praten tot het volgende Nationaal Programma in 2025.

Om goed van start te gaan, wil de ANVS de missie van de klankbordgroep scherp formuleren”. Vervolgens moet “in samenspel met de klankbordgroep” de ANVS “er voor zorgen dat de vier principes waarop het programma is gebaseerd, worden uitgevoerd”. Die vier principes zijn:

  • Minimalisatie van het ontstaan van afval;
  • Veilig beheer van afval;
  • Geen onredelijke lasten op de schouders van de volgende generaties;
  • Handhaven van het principe dat de vervuiler betaalt.

De taak van Jan Paul van Soest als Kwartiermaker wordt om een verkenning uit te voeren die moet resulteren in een werkplan voor de klankbordgroep. “Hij onderzoekt daarvoor argumenten, overwegingen en krachtenveld in de discussie over de eindberging van radioactief afval. Op basis van de verkenning wordt een profiel voor de samenstelling van de klankbordgroep geformuleerd.” Het eindrapport van die verkenning wordt dit najaar verwacht.

Klankbordgroep
En dan die Klankbordgroep. Een Klankbordgroep heeft alleen maar zin als er over de meest fundamentele vraag van het beleid gepraat kan worden. Namelijk of we 100 jaar moeten wachten. Als de klankbordgroep alleen maar mag praten over de invulling daarvan heeft het weinig waarde. Het zal moeten gaan over het op korte termijn vaststellen en reserveren van “potentieel geschikte zoekgebieden” voor de eindopslag van radioactief afval. Iets waar vooral de Commissie MER zich in haar adviezen hard voor gemaakt heeft.

Of dat concreter gaat worden dan het nu al decennia bekende riedeltje ’zoutkoepels in Groningen en Drenthe en klei in Friesland en Brabant’, is natuurlijk de vraag. Laka denkt dat geen enkel Kabinet zich de vingers zal branden aan het benoemen van locaties voor ondergrondse opslag van radioactief afval. En concludeert dan ook in de zienswijze ‘Wait and See’ dat ook over 100 jaar het vinden van een eindberging niet alleen maar een financiële kwestie is. Alhoewel gedaan wordt alsof dat zo is, is het vinden van een locatie ook dan nog steeds een heikel politiek/maatschappelijk probleem. En is er geen enkele garantie dat de tussenopslag in de Covra, oorspronkelijk gepland voor 50-100 jaar, en dat nu al 100 tot 150 jaar is geworden, niet steeds weer opnieuw verlengd wordt. Dan zijn we tenslotte al 100 jaar bezig met uitstellen.