Commissie MER over locatie Pallas: keuze voor Petten onduidelijk

Het is onduidelijk op welke argumenten Petten gekozen is als locatie voor de nieuw te bouwen Pallasreactor. Of milieuargumenten hierbij een rol hebben gespeeld is “niet toetsbaar”, hoewel duidelijk geadviseerd was om die afweging inzichtelijk te maken. Dat blijkt uit het vandaag verschenen Toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage over het eerder dit jaar gepubliceerde Plan-MER van Stichting Voorbereiding Pallasreactor. Van 26 februari tot en met 9 april was er de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen over het Plan-MER en het Bestemmingsplan van Gemeente Schagen.

Vandaag, 1 mei, verscheen het Toetsingsadvies van de Commissie Milieueffectrapportage (m.e.r.) over het milieueffectrapport van het Bestemmingsplan Pallasreactor Petten. De Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van milieueffectrapporten.

Plan-MER versus Project-MER
Dit plan-MER is opgesteld ter onderbouwing van een(strategische) keuze van de gemeente over een nucleaire activiteit waarvoor ze ruimte wil bieden. In een plan-MER moet worden uitgewerkt wat men wil, waarom dat nodig is, waarde beoogde activiteit kan plaatsvinden en wat daarvan de gevolgen zijn. Het onderzoek moet ook heldere randvoorwaarden opleveren voor de activiteit die in een latere fase zal worden vergund. Hierna zal een project-MER worden opgesteld ter onderbouwing van de Kernenergiewet-vergunning en dus voor de bouw en het gebruik van een onderzoeksreactor. Bij het project-MER wordt onderzocht hoe een project kan worden uitgevoerd en wat daarvan de gevolgen zijn. Het gaat daarbij dus om de concrete, technische uitwerking van het voornemen.

Rapport versus Conclusie
De Commissie m.e.r. concludeert op pagina 1: “Daarmee bevat het MER alle essentiële informatie over de milieueffecten van een nieuwe onderzoeksreactor op de Onderzoekslocatie Petten, zodat de gemeente het milieubelang volwaardig kan meewegen in haar besluit over de herziening van het bestemmingsplan”. Ook het begeleidende persbericht is positief: “Zij [Commissie m.e.r.] vindt dat het rapport de milieueffecten goed beschrijft.”.

Na lezing van het rapport blijft er toch ook een andere indruk hangen.

In het Plan-MER, zo zegt de Commissie zelf, “moet worden uitgewerkt wat men wil, waarom dat nodig is, waar de beoogde activiteit kan plaatsvinden en wat daarvan de gevolgen zijn.” (nadruk Cie m.e.r.) Maar juist het ‘waarom’ en het ‘waar’ zijn de zwakke punten, volgens alweer de commissie.

Over het ‘waar’ (de locatiekeuze) is de Commissie m.e.r relatief duidelijk: “In haar advies (…) heeft de Commissie geadviseerd om aan te geven welke rol milieuargumenten hebben gespeeld bij het kiezen voor de Onderzoekslocatie Petten. Ze constateert dat het MER deze vraag niet beantwoordt en dat bijgevolg niet toetsbaar is of milieuargumenten bij het kiezen van de locatie een rol hebben gespeeld.” Er is dus geen enkele vergelijking gemaakt met de milieugevolgen van de verschillende locaties en de impact van Pallas op bijv. Natura 2000-gebieden vergeleken met alternatieven.

En dat is niet de enige keer dat de Commissie informatie mist: ook bij ‘Keteneffecten’ (2.3):

Naar het oordeel van de Commissie hadden een indicatie van de (relatieve) omvang het gebruik van uranium en van de productie van radioactief afval in vergelijking met andere activiteiten bijgedragen aan het in perspectief plaatsen en waarderen van de radiologische effecten van het voornemen.

En als we dan kijken naar het ‘Advies over reikwijdte en detailniveau over het milieueffectrapport’ uit april 2016 moet die ‘onderbouwing’ nog veel meer uitgewerkt worden: “Ook moet het plan-MER de milieugevolgen van alternatieven voor het voornemen in kaart brengen voor zover die van belang zijn voor de ruimtelijke inpassing ervan.” En een paar alinea’s verder: “Vanwege het voortdurende maatschappelijk debat over de toepassing van kernsplijting in het algemeen en over de voor- en nadelen van diverse technieken voor de productie van medische isotopen in het bijzonder adviseert de Commissie om het MER niet te beperken tot de beschrijving van (de effecten van) de reactor. Ook (de effecten van) de stappen die daaraan voorafgaan (zoals de productie van splijtstoffen) en erop volgen (zoals de distributie van isotopen en de verwerking van kernsplijtingsafval) moeten globaal in beeld worden gebracht“.

En wat is daarvan terecht gekomen? “Over plannen in andere landen voor de bouw van nieuwe, vergelijkbare reactoren en over de ontwikkeling van alternatieve technieken zegt het MER alleen dat er wereldwijd diverse plannen en initiatieven zijn waarvan niet duidelijk is of en wanneer ze kunnen of zullen worden gerealiseerd”. Maar de Commissie vindt dat blijkbaar voldoende: “Daarmee zijn de bedrijfsmatige kansen en risico’s benoemd die zijn verbonden aan het bouwen van een nieuwe onderzoeksreactor voor de productie van (medische) isotopen en waarmee bij het besluit over het mogelijk maken van de onderzoeksreactor rekening moet worden gehouden.” Tsja. Is toch heel wat anders dan het in kaart brengen van alternatieven en een vergelijking van de milieugevolgen daarvan. Als het al gaat om een vergelijking van milieugevolgen gaat het tussen verschillende varianten van een reactor: bijvoorbeeld over de koeling of de maximum hoogte.

De conclusie dat “het MER alle essentiële informatie over de milieueffecten van een nieuwe onderzoeksreactor op de Onderzoekslocatie Petten” is dan ook nogal voorbarig en lijkt niet in lijn met de adviezen voor de m.e.r. en de inhoud van dit toetsingsadvies.