Het op 2 december verschenen formatierapport “Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie” schetst de urgentie van duidelijke keuzes in het klimaat- en energiebeleid voor de komende kabinetsperiode. Nederland ligt niet op koers om de nationale klimaatdoelen voor 2030 en 2050 te halen, en de energietransitie dreigt vast te lopen door knelpunten zoals netcongestie, ruimtelijke inpassing en stikstofproblematiek.
Het rapport benadrukt dat stabiel beleid en langjarige investeringszekerheid essentieel zijn om de transitie haalbaar en betaalbaar te maken. Daarbij worden vier illustratieve beleidspakketten gepresenteerd, variërend van minimale inzet op EU-verplichtingen tot een ambitieus nationaal reductiedoel van 90% in 2040. Geen van die pakketten haalt overigens het Klimaatwet-streefdoel van 55% reductie in 2030.
Het rapport stelt dat de bouw van twee kerncentrales theoretisch binnen het Klimaatfonds kan worden gefinancierd, wanneer een groot deel van de kosten (60%) “buiten het begrotingssaldo” wordt geplaatst. Dat betekent dat deze miljarden dan niet meetellen voor het overheidstekort, zodat er er geen extra bezuinigingen of belastingverhogingen tegenover hoeven staan. Het CBS moet akkoord gaan als uitgaven boekhoudkundig als investeringen buiten het saldo mag worden verwerkt. Dit gebeurt soms bij grote infrastructuurprojecten of investeringen die als “financiële activa” worden gezien.
Hoewel het rapport kernenergie noemt als optie voor diversificatie en robuustheid van het toekomstige energiesysteem, wordt opnieuw duidelijk dat atoomstroom zeker geen onmisbare voorwaarde is voor de energietransitie. Het eindbeeld voor 2050 is vooral gebaseerd op grootschalige wind- en zonne-energie, aangevuld met regelbaar CO₂-neutraal vermogen. Kerncentrales kunnen bijdragen aan leveringszekerheid, maar de bouw van twee nieuwe Flamanville's vraagt wel heel veel publieke middelen en kost ook erg veel tijd. Voor vier van dat soort kerncentrales is er sowieso niet genoeg geld. Het rapport stelt dat, in navolging van de TNO-studie, dat een energiesysteem met meer wind op zee én kernenergie vergelijkbare kosten kan hebben als een systeem zonder kernenergie.
De grootste belemmeringen liggen niet bij de keuze voor kernenergie, maar bij het oplossen van netcongestie, versnellen van vergunningprocedures en het creëren van ruimte voor energie-infrastructuur. Zonder doorbraken op deze punten dreigt de transitie te stagneren, ongeacht de gekozen energiemix.
Het rapport waarschuwt dat uitstel of afzwakking van beleid leidt tot hogere kosten en grotere afhankelijkheid van fossiele import. Investeren in hernieuwbare energie, infrastructuur en innovatie is volgens de werkgroep “no regret”.
No regret?
De bouw van kerncentrales vraagt miljarden, lange doorlooptijden en politieke garanties, terwijl wind op zee en flexibiliteit sneller en goedkoper bijdragen aan de klimaatdoelen. Bovendien blijft het risico bestaan dat kernenergie minder rendabel blijkt als de elektriciteitsvraag of ETS-prijzen anders uitpakken. Boekhoudkundige trucs veranderen niets aan deze realiteit: investeren in kernenergie is een gok.