Publicatie Laka-bibliotheek:
Toetsingsadvies over MER van IRI

AuteurCommissie MER
1-01-8-70-10.pdf
DatumApril 1996
Classificatie 1.01.8.70/10 (IRI DELFT)
Voorkant

Uit de publicatie:

INLEIDING

Het Interfacultair Reactor Instituut (IRI), dat deel uitmaakt van de Technische
Universiteit te Delft, heeft het voornemen de onderzoeksmogelijkheden van de 
hoger onderwijs reactor (HOR) uit te breiden door de bouw van een experimentenhal. 
Daarnaast zijn aanpassingen aan de HOR voorzien die bedoeld zijn om de veiligheid 
verder te verhogen. De voorgenomen wijzigingen van de inrichting vereisen 
aanpassing van de vergunning ex artikel15 onder a en 15 onder b van de 
Kernenergiewet (Kew). Ten behoeve van de besluitvorming over de vergunningaanvraag 
wordt een milieu-effectrapport (MER) opgesteld. Bevoegde gezagsorganen voor de 
vergunningverlening zijn de Ministers van Economische Zaken (coördinatie), van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De m.e.r.-procedure is gestart op 21 april 1993 met de bekendmaking van de 
startnotitie. Per brief van 14 februari 1996 (bijlage 1) heeft het coördinerend 
bevoegd gezag de Commissie gevraagd advies uit te brengen over de inhoud van het 
MER. Het MER is bekend gemaakt op 15 februari 1996 (bijlage 2).
Dit advies is opgesteld door een werkgroep van de Commissie voor 
milieueffectrapportage (m.e.r.). Voor de samenstelling van de werkgroep wordt verwezen 
naar bijlage 3, waarin tevens een overzicht wordt gegeven van de belangrijkste 
projectgegevens.

De Commissie heeft beoordeeld of het MER voldoende informatie biedt om bij de 
besluitvorming over de voorgenomen wijzigingen aan de hoger onderwijs reactor (HOR) het 
milieubelang een volwaardige plaats te geven en daarbij op grond van artikel 7.26 lid 1 
van de Wm getoetst:
- aan de richtlijnen voor het MER, zoals vastgesteld in juli 1993 door de minister van 
Economische Zaken, mede namens de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en
 Milieubeheer en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Wm 1);
- op eventuele onjuistheden 2);
- aan de wettelijke regels voor de inhoud van een ME 3).

Conform artikel 7.26 tweede lid (Wm) heeft de Commissie de via het bevoegd gezag ontvangen
 reacties op het MER, die schriftelijk zijn ingebracht, in beschouwing genomen (bijlage 4). 
Voor zover relevant zijn de reacties in dit advies verwerkt.

In dit advies wordt in hoofdstuk 2 het hoofdoordeel over het MER weergegeven en toegelicht. 
In hoofdstuk 3 geeft de Commissie opmerkingen over het MER met aanbevelingen die in het 
vervolg van de besluitvorming of bij de evaluatie achteraf betrokken kunnen worden.

1) Wm, artikel 7.23, lid 2
2) Wm, artikel 7.23,lid 2
3) Wm, artikel 7.10