Stichting Laka

Publicatie Laka-bibliotheek:
Vernieuwend energiebeheer (1984)

AuteurWetenschappelijk instituut CDA
Datum1984
Classificatie 1.01.1.30/11 (OPINIE - POLITIEKE PARTIJEN)
Voorkant

Uit de publicatie:

WOORD VOORAF

In de komende periode moeten belangrijke beslissingen worden genomen terzake 
van het energiebeleid. Dat geldt het besparingsbeleid en de inzet en prijsstelling 
van het aardgas, maar met name ook de structuur van onze energievoorziening. 
Besluitvorming over deze kwesties moet berusten op zo betrouwbaar mogelijke 
gegevens en worden geleid door principes die wij als juist en heilzaam voor de 
mens, de samenleving en de schepping beschouwen.

Het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA wil door middel van voorliggend 
rapport bijdragen aan een verantwoorde meningsvorming binnen het CDA in het 
algemeen en binnen de politiek verantwoordelijke organen in het bijzonder. Op 
deze wijze doet het Instituut mee aan de Brede Maatschappelijke Discussie inzake 
het energiebeleid, overigens zonder enige subsidie uit de BMD-fondsen.

Het rapport is samengesteld door een commissie onder voorzitterschap van 
prof. ir. B. Krol. Rapporteur was dr. W. L. M. Adriaansen. Als leden fungeerden 
drs. H. Borstlap (secretaris tot I november 1983), dr. ir. A.S. Bos, 
prof. dr. H. Van der Laan en drs. P. R. H. M. van der Linden (waarnemend lid 
vanuit de CDA Tweede Kamerfractie).

De commissie wijst op de veranderde context waarbinnen momenteel over het 
energiebeleid gesproken wordt. De inzichten in de belangen van natuur en milieu, 
de economische situatie, de sociale effecten van het energiebeleid, de 
vooruitzichten op de oplossing van problemen verbonden aan de inzet van 
energiedragers, zij spelen alle een uitdrukkelijke rol bij de beleidsvorming. 
Tegelijkertijd moet worden onderkend dat Nederland een energiebeleid voert dat 
sterk afwijkt van het beleid in de ons omringende landen. Dat betreft met name de 
grote rol die aardgas en olie in onze energievoorziening spelen en de kleine 
respectievelijk zeer geringe rol die aan kolen respectievelijk kernenergie in de 
nabije toekomst wordt toegekend. Dat kunnen wij natuurlijk niet erg lang 
volhouden. Een pleidooi voor een Westeuropees energiebeleid ligt derhalve voor 
de hand. Daarin moet zeker ook het onderzoekbeleid worden betrokken, zowel 
waar het het gebruik van duurzame energiebronnen betreft als de oplossing van 
de problemen verbonden aan de verwerking van hoog-radioactief afval.

De commissie is van mening dat we ons niet kunnen veroorloven om a priori de 
inzet van bepaalde energiedragers af te wijzen. Die inzet zal echter wel 
verantwoord moeten zijn vergeleken met de inzet van andere energiedragers. 
Vóór 1990 (vanaf dat jaar zullen uitbreidingen in de sector elektriciteitscentrales 
nodig zijn) zal derhalve belangrijke vooruitgang moeten worden geboekt inzake 
de oplossing van problemen verbonden aan een grotere inzet van kolen en 
kernenergie.

Het bestuur is ingenomen met het heldere en weloverwogen betoog van de 
commissie en hoopt dat de beleidsrelevante conclusies, welke op diverse plaatsen 
in het rapport voorkomen, zowel de burgers als hun vertegenwoordigers zullen 
inspireren tot een verantwoord omgaan met energie.

mr. P. J. Boukema wnd. voorzitter
drs. A. M. Oostlander directeur
16 januari 1984

Deze publicatie is alleen op papier bij Laka beschikbaar, niet als pdf.
Publicaties zijn te leen of informeer of we een kopie kunnen maken. Soms, als we tijd hebben, lukt dat tegen kostprijs van de kopieën.