Stichting Laka

Publicatie Laka-bibliotheek:
Startnotitie MER 'Optimalisatie splijtstof' KCB (1995)

AuteurEPZ, KEMA
Datumjuli 1995
Classificatie 1.01.8.23/07 (BORSSELE I - VERGUNNINGEN, BEZWAREN & PROCEDURES)
Voorkant

Uit de publicatie:

1 INLEIDING

De N.V. Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland EPZ bedrijft sinds 
1973 in Borssele een kernenergiecentrale-eenheid met een vermogen van 1366 
MWth (449 MWe). Voor het aanbrengen van een aantal veiligheidsverhogende 
maatregelen aan deze kernenergiecentrale, verder aangeduid als KCB, is door het 
Bevoegd Gezag op 2 augustus 1994 een (wijzigings) vergunning verleend. Met het 
aanbrengen van de daarbij vergunde modificaties zal de KCB in 1997 zo veel als 
redelijkerwijs mogelijk voldoen aan de laatste internationaal erkende inzichten op 
het gebied van de nucleaire veiligheid en de stralenbescherming.

Als gevolg van het overleg tussen de Minister van Economische Zaken en de 
Tweede Kamer over het Elektriciteitsplan 1995-2004 kan de KCB tot het jaar 2004 
in bedrijf worden gehouden.

Met nadruk wordt er op gewezen dat de onderhavige startnotitie geen verband houdt 
met de veiligheidsverhogende modificaties, waarvoor reeds vergunning is verleend 
en die momenteel in uitvoering zijn. Thans is sprake van een nieuw voornemen van 
EPZ, namelijk het toepassen in de KCB van een hogere verrijkingsgraad van de 
splijtstof, het licht wijzigen van de hoeveelheid splijtstof per splijtstofstaaf eventueel 
gecombineerd met de toepassing van ander neutronenabsorberend materiaal. Met 
deze optimalisatie kan qua splijtstofkosten een aanzienlijke efficiëncy-verbetering 
worden gerealiseerd en tegelijkertijd de hoeveelheid kernsplijtingsafval worden 
verminderd.

Voor deze voorgenomen activiteit zal door EPZ een aanvraag voor een 
wijzigingsvergunning ingevolge de Kernenergiewet worden ingediend. De aanvraag 
dient vergezeld te gaan van een MER, omdat volgens artikel C.22.6 van het Besluit 
m.e.r. 1993 een "verandering van de soort, de hoeveelheid of de verrijkingsgraad 
van de splijtstof" m.e.r.-plichtig is. De onderhavige notitie dient om de m.e.r.-
procedure te starten. Deze m.e.r.-procedure is beschreven in hoofdstuk 7 van de 
Wet milieubeheer (zie figuur 1.1 ). De eisen, waaraan de startnotitie dient te 
voldoen, zijn vermeld in het Besluit startnotitie milieu-effectrapportage.

De m.e.r.-procedure begint met de bekendmaking betreffende ontvangst en inzage 
van de startnotitie. Na deze bekendmaking kan een ieder inbreng leveren ten aanzien 
van de in het MER te beschouwen alternatieven en de milieu-beïnvloeding van de 
optimalisatie van de splijtstoffen. Mede op grond van de startnotitie worden door het 
Bevoegd Gezag richtlijnen geformuleerd voor het op te stellen Milieu-effectrapport 
De Commissie voor de milieueffectrapportage (Cmer) adviseert met de andere 
wettelijke adviseurs het Bevoegd Gezag in deze procedure. In het MER dienen de 
voorgenomen activiteit en de in de richtlijnen aangegeven alternatieven te worden 
behandeld. Voorts dienen de milieu-effecten hiervan te worden aangegeven en dient 
een vergelijking te worden gemaakt met de situatie bij het niet uitvoeren van het 
voornemen.

Na indiening wordt het MER ter inzage gelegd. Gedurende een termijn van 
tenminste een maand kan een ieder opmerkingen schriftelijk inbrengen. Ook 
kunnen opmerkingen mondeling worden ingebracht tijdens een openbare zitting, 
die door het Bevoegd Gezag wordt gehouden.

Deze publicatie is alleen op papier bij Laka beschikbaar, niet als pdf.
Publicaties zijn te leen of informeer of we een kopie kunnen maken. Soms, als we tijd hebben, lukt dat tegen kostprijs van de kopieën.