Plannen eindberging kernafval België op losse schroeven


België doet al veertig jaar onderzoek naar de opslag van kernafval in klei op 200 meter diepte in Mol. Dat is al die tijd het uitgangspunt geweest van het beleid. Daar lijkt nu langzamerhand verandering in te komen. Dat heeft nogal wat gevolgen, o.a. voor de financiering van de plannen. Als gekozen wordt voor een diepere geologische berging (en in evt. een andere grondsoort) kan dat veel duurder uitvallen. En aangezien de wetgeving stelt dat na sluiting van kerncentrales de exploitant (de vervuiler) niet meer aangesproken kan worden op kosten voor eindberging, kan dat duur uitvallen voor de Belgische belastingbetaler.

De Belgische kernafvalbeheerder Niras (Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen) liet na jaren onderzoek in de herfst van 2016 aan de (Belgische) regering weten dat ‘geologische berging in weinig verharde klei’ volgens haar de beste keuze was om hoogradioactief afval uit kerncentrales definitief te bergen. Niras baseerde zich op bijna veertig jaar onderzoek in een ondergronds lab dat zich in Dessel (Mol) bevindt, zo’n 200 meter diep in de Boomse kleilaag.

Maar de Belgische regering liet Niras in de lente van dit jaar weten dat dit voorstel te verregaand is. Ondertussen was er ook een kritisch advies van de nucleaire autoriteit FANC over het eindbergingsplan. Volgens een artikel in de Belgische krant de Standaard, stelt de directeur van Niras, Demarche, nu voor om als eerste stap weliswaar te blijven opteren voor geolo­gische eindberging, maar in het midden te laten welke grondlaag daarvoor het meest geschikt is: “Het zou niet verstandig zijn om vast te houden aan een voorstel waarvoor geen draagvlak bestaat.

Kritiek op klei voor eindberging radioactief afval
Er is veel kritiek op eindberging in (Boomse) Klei. Zo zijn er de zogenoemde ‘subglaciale geulen’ uit de vroegere ijstijden. Deze hadden dieptes tot ca 600 m en zullen over 50 á 100 duizend jaar de opberging naar de oppervlakte brengen.
Een ander probleem is het voorkomen van zwavelijzerverbindingen in klei, dat water en zuurstof aantrekt uit de omgeving. Dit levert een dodelijk mengsel op, zwavelzuur, dat de verpakking van het radioactief afval zal aantasten. (zie deze bijdrage van gastauteur F.A.D. van Nieulande)

Dat de decennialange voorkeur voor berging in de ‘Boomse klei’ nu lijkt te worden geschrapt maakt ook de huidige financiering voor de eindberging onzeker. Daar was toch al kritiek op wat resulteerde in een extra ‘donatie’ van de exploitanten in het fonds dat de eindberging moet financieren.

Die kernenergie-exploitanten – in de eerste plaats Electrabel – leggen reserves aan om die toekomstige rekening te betalen: momenteel wordt uitgegaan van 8 miljard euro voor ontmanteling van de kerncentrales en opslag van al het radioactief afval. Niras schat de kosten van geologische eindberging van hoogradioactief afval op ongeveer 3,2 miljard. Maar als de optie van geologische berging op 200 meter diepte in ‘weinig verharde klei’ wordt losgelaten, worden ook de kosten van eindberging onzeker. Demarche schat dat als die diepte verdubbelt, de geschatte kosten van 3,2 miljard voor het netwerk van onderaardse galerijen met een totale lengte van minstens 25 km, ongeveer de helft duurder worden.

Het (een?) probleem is dat regelgeving bepaalt dat de exploitanten niet meer aangesproken kunnen worden op de kosten, als de kerncentrales niet meer operationeel zijn. Op dit moment is dat 2025, wanneer de laatste kerncentrale gesloten moet zijn. De belastingbetaler loopt dus het risico, als na 2025 blijkt dat definitieve berging van het hoogradioactief kernafval veel meer kost.

In het regeerakkoord van de regering Michel staat dat er vóór 2019, het einde van de regeerperiode, beslist wordt over de eindberging van het hoogradioactief afval. Het Belgische eindbergingsschema gaat ervan uit dat het aanleggen van een eindberging tussen 2040 en 2050 begint.

België-Nederland
Een koerswijzing van het beleid in België heeft ook gevolgen voor Nederland. In Nederland wordt juist de laatste jaren klei (w.o. de Boomse klei) door de Covra als reële optie gezien. Het huidige onderzoeksprogramma OPERA is vooral gericht op klei, om de informatieachterstand in te halen die klei in Nederland heeft, nadat zoutlagen in Noord-Nederland decennia lang als (enige) optie werd gezien.

Wat verder opvalt is de schatting van het bedrag dat een eindberging kost. In België is dat 3,2 miljard, in Nederland 2 miljard. Natuurlijk heeft België (veel) meer hoogradioactief afval, maar het volume is niet echt de bepalende kostenfactor. En dan is in Nederland ook nog uitgegaan van een veel diepere geologische berging dan de 200 meter in België.

Een ander verschil is dat in België de exploitant van kerncentrales nog aan te spreken zijn op afdracht zolang de kerncentrales in bedrijf zijn. In Nederland is dat anders: zodra het radioactief afval onder verantwoordelijkheid is van de Covra heeft de exploitant een vooraf vastgesteld bedrag betaald en zijn alle financiële risico’s voor de Covra (lees: de staat als enige aandeelhouder).

In Nederland wordt uitgegaan van een eindberging in 2130, dus over meer dan 100 jaar, waardoor de kosten nog onzekerder zijn en her financiële risico niet bij de vervuilers maar bij de belastingbetalers ligt. Precies de reden waarom Laka de illegale staatssteun klacht ('Zonnepanelen tegen kernenergie') ingediend heeft bij de Europese Commissie.