Verkorting levensduur kernafval niet realistisch

(Herman Damveld) De verkorting van de levensduur van radioactief afval is niet binnen handbereik en het is de vraag of het haalbaar is. Dat constateert het Duitse Bundesamt für kerntechnische Entsorgungssicherheit (BfE), de toezichthouder namens de Duitse regering op de omgang met radioactief afval, met inbegrip van het zoeken naar een definitieve berging van radioactief afval.

In een kerncentrale ontstaan door het kernsplijtingsproces veel verschillende radioactieve stoffen. Sommige ver­liezen na korte tijd hun radioactiviteit, maar bij andere duurt dat honderdduizenden jaren. Deze langlevende stoffen zijn bepalend voor het risico op lange termijn. Als het nu mogelijk zou zijn de langlevende radioactieve stoffen om te zetten in kortlevende (dat heet transmutatie), zou het kernafval nog bijvoorbeeld 700 tot 1500 jaar gevaarlijk blijven. Dan zou dus ergens tussen het jaar 2720 en 3520 onze zorg voor het kernafval kunnen ophouden.

Binnen dit denkkader past het dat al vanaf de jaren zeventig voorstanders van kernenergie het doen voorkomen alsof de techniek van verkorting van de gevaarperiode van kernafval (ook wel levensduurverkorting of P&T genoemd) al bestaat of binnenkort verkrijgbaar zal zijn.[1] [2] De werkelijkheid is echter geheel anders, zoals onder meer blijkt uit een overzicht van de stand van zaken dat het BfE op 28 februari 2018 heeft uitgebracht.

We vermelden hier de belangrijkste conclusies.

  • Er zullen nog veel technische ontwikkelingen nodig zijn voor de afscheiding van alle langlevende radioactieve stoffen (ook wel transuranen geheten). Tot nu toe gebeurde die afscheiding alleen op laboratoriumschaal.
  • Het maken van brandstofelementen om de afgescheiden radioactieve stoffen in een kerncentrale te kunnen brengen, is nog in een vroeg stadium van ontwikkeling.
  • Nergens ter wereld bestaat een installatie om de  verkorting van de levensduur van de radioactieve stoffen daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.
  • Bovendien moeten er nieuwe kerncentrales gebouwd worden voor de transmutatie. Het gaat om vijf tot zeven kerncentrales die zo´n 150 tot 300 jaar in bedrijf moeten zijn om het Duitse hoogradioactieve afval te kunnen omzetten. Dit is alleen uitvoerbaar binnen een tijdsbestek van minder dan 100 jaar bij de inzet van substantieel meer kerncentrales.
  • Op grond van de feiten die het BfE noemt, is het onzeker of en zo ja wanneer de P&T-technologie op grote schaal ingezet kan worden. Pas over 40 tot 50 jaar is daar meer duidelijkheid over.[3]

Daar komt nog bij dat het opgewerkte en verglaasde hoogradioactieve afval uit bijvoorbeeld de kerncentrale Borssele niet meer geschikt is voor verdere verwerking; P&T is dus niet meer mogelijk met het al bestaande Nederlandse hoogradioactieve afval.[4][5]

Noten:
[1] "Advies inzake een programma inzake het beheer en de opslag van radioactieve afvalstoffen", Advies van het Economisch en Sociaal Comité der EG.; Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C. 263, 17 november 1975, p 52.
[2] Europese Commissie, "Proceedings of the Workshop on Partitioning and Transmutation of Minor Actinides", Karlsruhe, 16-18 oktober 1989, p V.
[3] https://www.bfe.bund.de/SharedDocs/Faktencheck/BfE/DE/2018-02-02-transmutation.html,  28 februari 2018.
[4] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/02/10/ontwerp-nationale-programma-radioactief-afval, 10 februari 2016, p 13.
[5] https://www.autoriteitnvs.nl/actueel/nieuws/2016/06/24/nationale-progamma-radioactief-afval-vastgesteld, 24 juni 2016, p 13.