Niets nieuws: nucleaire industrie pleit voor kernenergie

De gezamenlijke Nederlandse nucleaire industrie pleit voor de bouw van 2 á 3 grote kerncentrales vóór 2030 zodat 20% van de stroomproductie door kernenergie opgewekt wordt. Dat zou noodzakelijk zijn om de CO-2 uitstoot terug te dringen. Op lange termijn vestigt de nucleaire industrie de hoop op de nog niet bestaande IV-generatie reactoren en natuurlijk het onvermijdelijke thorium.

Deze ‘roadmap’ zo zegt Nucleair Nederland (waar de belangrijkste nucleaire bedrijven en instellingen in verenigd zijn), is noodzakelijk omdat er een drastische verlaging van de CO-2 emissies moet plaatsvinden. En, zo vervolgd de roadmap in de inleiding, “In de recente studie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL, 2016), wordt aangegeven dat kernenergie daarin een belangrijke rol kan spelen.” Dat rapport van PBL ‘Opties voor energie- en klimaatbeleid’ is niet meer dan, de titel zegt het al, een opsommingen van mogelijkheden: voor elk wat wils. Bij het huidige halfslachtige beleid zóu kernenergie en/of CCS (afvang en opslag CO-2) nodig kúnnen zijn, want dat halfslachtige beleid “zet Nederland op een pad richting 40 procent hernieuwbare energie in 2050. Om het emissiedoel dan toch met technische maatregelen te halen, is onder andere inzet van veel CCS of kernenergie onmisbaar.” Maar we kunnen we ook best zonder: “[V]oor een emissiereductie van minstens 80 procent in 2050 is zonder de andere opties [CCS en kernenergie, Laka] ten minste 80 procent hernieuwbare energie nodig, en dit is op zich technisch mogelijk”. Dat betekend dan echter wel een andere (hogere) doelstelling en dus ander beleid. “Bij een lineaire ontwikkeling in de tijd tussen 2023 en 2050 leidt 30 procent [hernieuwbare energie] in 2030 naar 70 procent in 2050 en 33 procent in 2030 naar 80 procent in 2050. Een toekomstbeeld met een grote rol voor hernieuwbare energie en een kleine rol of geen rol voor CCS en/of kernenergie vraagt een geleidelijk doorzettende, versterkte toename van hernieuwbare energie, ook in het volgende decennium.

Maar goed, niet verwonderlijk, wil de nucleaire industrie dat we inzetten op nucleaire energie. Voor dat alles, zo zegt Nucleair Nederland, is het wel noodzakelijk dat de kerncentrale Borssele open blijft. Want de tijd dringt; “[D]e vergunningverlening en bouw van moderne lichtwaterreactoren (LWR) neemt ruim 10 jaar in beslag, zodat Nederland vanaf 2030 hierover zou kunnen beschikken. Om dat mogelijk te maken is het noodzakelijk dat de kerncentrale Borssele in bedrijf blijft, zodat de benodigde praktijkervaring bij de exploitant en de Nederlandse overheid en het ondersteunende onderzoek en onderwijs bij NRG en TU Delft in stand gehouden wordt.” Het rapport lijkt zelfs te suggereren dat de kerncentrale ook wel 80 jaar in bedrijf kan blijven en dus niet in 2033 gesloten hoeft te worden worden.

Luchtfietserij
In de ‘roadmap’  wordt de bijdrage van kernenergie op drie termijnen beschreven: korte, middellange en lange termijn. En “gebaseerd op de huidige stand van de techniek en met een realistische inschatting van de ontwikkeltijd van nieuwe technologieën.” De korte termijn moet dan met “geavanceerde Generatie-III reactoren, waarvan de eerste exemplaren binnen enkele jaren in gebruik zullen worden gesteld.” De middellange-termijn met “hoge temperatuur reactortechnologie (HTR) van Generatie III+” en de lange termijn moet Generatie-IV technologie ingezet worden “excellerend op reactorveiligheid en duurzaamheid.

Het is voor een groot gedeelte luchtfietserij gebaseerd op wishfull-thinking: over nog niet opgeloste technische problemen bij nieuwe generatie reactoren wordt niet gepraat. opeens komt warmtekrachtkoppeling weer om de hoek kijken, en op lange termijn het onvermijdelijke thorium-verhaal.

Het lijkt vooral een wanhoopspoging om kernenergie (en de nucleaire sector) weer een beetje op de kaart te zetten. Dat heeft het per slot van rekening niet gemakkelijk de laatste tijd: economische en technische problemen teisteren vrijwel alle nucleaire installaties. Maar hoop doet leven, zo moet de nucleaire industrie denken.

Het vorig jaar in opdracht van Economische Zaken door Technopolis geschreven rapport over de nucleaire infrastructuur in Nederland wordt meermaals aangehaald om het belang van nucleaire infrastructuur te benadrukken. Maar het rapport laat vooral zien hoe klein die sector is: men schat dat de nucleaire sector in Nederland ongeveer 1500 FTE groot is. Het rapport komt door een zeer brede afbakening van het begrip ‘nucleair infrastructuur’ (nucleaire afdelingen van academische ziekenhuizen, onderzoeksinstituten met cyclotrons, e.d.) nog op 3100 FTE. Nu is het aantal FTE’s niet het enige criterium of een industrie belangrijk is, maar wel een redelijke graadmeter voor (verlies van) werkgelegenheid.

Tekenend is dat het hoofdstukje over de hoge kosten van de bouw van kerncentrales en modellen om die op allerlei manieren meer draaglijk te maken voor de industrie, onder het tussenkopje ‘Maatschappij’ staan. Die mogen betalen, want de meeste oplossingen om die ‘front-end’ kosten draaglijker te maken komen neer op ‘verkapte’ subsidies.

Tot slot wordt ook nog even ingegaan op de publieke opinie ten opzichte van kernenergie: Daar moet nog wel wat aan gebeuren namelijk. ”Pro-actieve, eerlijke en transparante voorlichting over de mogelijkheden, de voor- en nadelen en de noodzaak van kernenergie in het kader van een CO2-vrije energie-voorziening zijn noodzakelijk voor de acceptatie van kernenergie in de Nederlandse samenleving.

Het. Gaat. Niet. Gebeuren.